Fawaka bakra, welkom in Suriname!

Bestemming: A. Paramaribo (Suriname)
Periode: oktober 2015
Vervoer: Vliegtuig
Accommodatie: Huisje

“De Surinaamse cultuur dringt recht door je huid naar binnen. Je voelt de adrenaline van de veel te ‘relaxte’ cultuur stromen, ieder moment als je daar bent. Ik voel de warmte van de zon die al onder is, het veel te warme briesje en de verwelkomende mensen. Het accent moet je vooral niet vergeten. Het voelt voor mij, voor even, als een beter Nederland. “

Dit stukje schreef ik in oktober 2015. Ik zat op dat moment naast mijn vriend, Dennis, midden in Paramaribo, de Prinsessenstraat. Inmiddels waren we al aardig wat dagen in het land. Ik herinner me nog dat ik net was aangekomen in Suriname. Dennis en ik hadden lang in de rij gestaan voordat we überhaupt onze paspoorten konden laten zien en geloof me, lang wachten in Suriname is heel lang. Met een ‘luchtige’ broek en een shirt met korte mouwen ben je niet bestendigd tegen de hitte waar je tegen aanloopt zodra je uit het vliegtuig komt. Dus met een bezweet en moe lijf kwam ik uiteindelijk de douane door. Het enthousiasme van het feit dat we eindelijk waren geland, was op dat moment al in mijn schoenen gezonken. Totdat ik de eerste beste Surinamer sprak bij de bagage. De spierwitte tanden waren goed zichtbaar door de grote grijns op zijn gezicht. Onder zijn vrolijke gezicht droeg hij een shirt met de Surinaamse vlag. Ik glimlachte vriendelijk. Hij tikte Dennis en mij aan en zwaaide: “Fawaka bakra, welkom in Suriname!”.

Terwijl ik het stukje in mijn dagboek schreef waren we ons aan het klaarmaken voor een avondje stappen in de Havanna Lounge. Dat is een club waar veel Nederlandse jongeren naar toe gaan. Er komen jaarlijks honderden Nederlandse en Belgische studenten naar Suriname om daar stage te lopen. Zoals mijn zus, Yentle, dat ook deed. Mijn zus had in de weken dat ze er al was een kamer voor ons kunnen regelen. Dennis en ik sliepen in een studentencomplex waar Yentle ook had gewoond voor een tijdje. We sliepen met ongeveer 20 andere Nederlandse/Belgische stagiaires. Aangezien we zelf ook studenten zijn, dus niet een al te hoog inkomen hebben, hadden we besloten toen we nog in Nederland waren dat we het goedkoopste van het goedkoopste huisje wilden. “Weet je zeker dat jullie geen airco willen?” Vroeg mijn zus voor de vierde keer toen ze ons huis huurde... Hadden we toen maar geweten hoe heet het zou zijn.
Eenmaal opgemaakt en wel begonnen we met het spelen van spelletjes. We sloten ons aan bij de vijftien andere stagiaires die ook van plan waren een avondje goed te stappen. Thirty seconds, boten en kingsen: PARBO bier is het nieuwe Heineken en Borgoe de nieuwe Whisky. De warmte van de afgekoelde zon voelde je de hele dag door, 24 uur lang. Dus ook in de avond was er geen plek om af te koelen. In de periode dat wij er waren, hadden ook de locals het soms moeilijk met de hitte. Het was zelfs één van de heetste weken van het jaar en daar zit je dan zonder je airco. Lang leven de profitabele kamers. Volgende keer toch maar een paar tientjes meer neerleggen.

Hitte op straat in Suriname
Hitte op straat in Suriname


Eenmaal aangekomen in de club was er geen ontkomen aan. Surinamers zijn verreweg veel meer swingend dan dansende Nederlanders. De muziek dreunde in mijn oren. Het was muziek waarop de tango kan worden gedanst. Dit werd dan ook met volle overtuiging gedaan. Ik zocht een weg in de menigte om het van dichterbij te bekijken. Dit was het tegenovergestelde van de Martin Garrix bende dat in de Leidsestraat door de speakers wordt gebeukt. Het bracht een bijzondere sfeer met zich mee. Ik kreeg het gevoel alsof iedereen samen naar de club was gegaan, ik besefte me dat in Nederland iedereen zo ‘alleen’ is. Terwijl ik om me heen keek, zag ik dat er nog veel meer ogen op mij stonden gericht. Als blanke, ‘bakra’, zijn de ogen wel vaker op je gericht. Het voelt echter niet als intimiderend aan, eerder verwelkomend. Een Surinaamse dame kwam naast me staan en begon flink te draaien met haar heupen. Ze wenkte me om mee te dansen. Ik waagde een poging en probeerde ook met mijn heupen tekeer te gaan. Ik, als Hollandse Kudelstaarter, bakte hier natuurlijk niets van. Het meisje moet luidkeels lachen. Het maakte me allemaal niet uit. Ik voelde het geluk van deze elegante bevolking door mijn aderen stromen.

Eerder die dag waren we teruggekomen uit Santigron. Een plaatsje gelegen in Zuidwestelijke richting vanaf Paramaribo en ligt in het randje van de jungle. Samen met andere studenten met wie we in het studentenhuis sliepen, waren we het avontuur naar de jungle aangegaan. Twee Nederlands/Australische vrouwen verhuurden daar lodges. Het stadje Santigron wordt bewoond door de Maronnen. Toen we aankwamen en onze borrelende maagjes wat eten hadden gegeven, kregen we een rondleiding door het dorp. Het is ongelofelijk gek hoe groot het contrast is in vergelijking met Nederland aan de andere kant van de wereld, in de jungle. Zo was er een huis voor vrouwen die ‘onrein’ zijn. In dat huis moeten vrouwen zitten die ongesteld zijn. Voor Nederlanders klinkt dit respectloos. In Santigron vonden de vrouwen het ‘een eer’ om in het huis te zitten. Zo staan twee culturen lijnrecht tegenover elkaar. Santigron is het eerste dorp gelegen in de jungle vanaf Paramaribo. Het dorp ligt in de buurt van Lelydorp. Er is dan ook een weg aangelegd naar de stad. Het traditionele dorp is dus welvarend maar nog verreweg van stads. Er zijn maar enkelingen die een baan hebben in de stad. De hitte van de zon werd iets gedempt door de bomen van de jungle. Wanneer er even niemand praatte, hoorde je het leven van de natuur. Kan ik maar even terug.
Het groene Suriname
Het groene Suriname


De avond in Santigron was er één voor in de boeken. Samen met de andere studenten en Puk (de reisleider) speelden we spelletjes totdat we niet meer konden. Puk woonde zelf in het Maronnen dorp. Na wat PARBO biertjes en glaasjes BORGOE waren we toe aan wat muziek. Puk kende ‘een bandje’ die woonde in het dorp. Tegen een betaling konden ze voor ons een avond zingen. Verschillende Surinaamse kinder en volks-liedjes liedjes ken ik nog steeds uit mijn hoofd. De gitaar op het ritme van de Surinaamse beats, de warmte en de mensen: ik zal dit nooit meer vergeten.

De volgende ochtend stonden we allemaal weer ‘fris’ en fruitig klaar om voor de laatste keer op pad te gaan. Inmiddels hadden we al een tijdje gewacht. In Suriname kijk je hier niet heel erg van op aangezien ze daar liever lui dan moe zijn en ze in tegenstelling tot Nederlanders nogal de tijd voor alles nemen. Na nog wat langer te hebben gewacht, bleek dat Puk niet in staat was om op zijn werk te komen in verband met een kater. Er was namelijk niet aan ons verteld dat Puk niet zo goed tegen alcohol kon. Gelukkig was het neefje van Puk zo snel mogelijk naar ons toegekomen zodat we toch naar het Indianendorpje konden gaan. Het was, zoals iedere dag, weer super warm en we hadden er veel zin in. Met volle moed en ieder een flesje water stapte we de jungle in. Het was er prachtig. We hadden de hele wandeling liedjes gezongen. Op een gegeven moment waren bijna al onze flesjes op en waren we het zat. We hadden al een tijdje het idee dat er iets mis was met de route maar we vertrouwden op het neefje van Puk. Onterecht. “Ik ben denk ik de weg kwijt.” Vertelde onze reisleider terwijl hij steeds iets verder van ons wegliep. Daar sta je dan. Midden in de jungle van Suriname. Het neefje van Puk was gelukkig erg betrokken bij ons en liep de hele tijd van ons weg. We zaten al te fantaseren wat zouden doen wanneer we echt niet meer terug zouden komen en geloof me: het duurde lang. Tot we op een gegeven moment aankwamen bij het indianendorp. Dat was niet heel bijzonder en we mochten ook nog eens niet in de buurt komen van de Indianen. Ze bleken namelijk zo heel ‘toeristvriendelijk’ te zijn.

Het is nogal moeilijk om tijd in te schatten wanneer je niets van elektronica bij je hebt maar ik denk dat we vanaf het indianendorpje nog 1 tot 2 uur naar de lodges moesten lopen, dit keer niet ín de jungle maar op de weg. De jungle durfden we niet meer in. Onze monden waren uitgedroogd en we waren de zon brandde op onze huid. Uiteindelijk kwam er (eindelijk) een auto voorbij en thank god: het was een auto met een mega laadbak. Hiermee zijn we door 2 super vrolijke Surinamers een heel stuk vooruit gebracht. Wat waren wij blij toen we eindelijk terug waren! Ik ben wel bang dat het neefje van Puk en Puk een klein probleempje hadden toen we weg waren.

Wanneer je door Suriname loopt, word je als meisje vaak aangesproken op straat. Er wordt naar je gefloten en getoeterd. Voor even vond ik dat vervelend. Ik ben dat simpelweg gewoon niet gewend. Totdat ik erover sprak met een ander Nederlands meisje in de club: “Nee joh, je moet je niet geïntimideerd voelen door de jongens hier. Dat hoort er hier ook gewoon bij. Het wordt hier zelfs als een belediging ervaren wanneer er niet naar je gefloten of geroepen wordt. Ik ben er alweer aan gewend, ik ben hier al ruim 5 maanden.” Sindsdien had ik ingezien dat dit inderdaad hoort bij Suriname. Het is niet dreigend, het is verwelkomend. Dit is cultuur ervaren van binnenuit.

Nog steeds als ik fantaseer en denk aan Suriname, krijg ik een tinteling op mijn lichaam. De Surinaamse cultuur raakt je, inspireert en maakt je. De Surinaamse manier van genieten, de vrolijke locals en de felle zon. Ik zou er nog wel tien keer terug willen. Ik kijk uit naar het moment dat ik op het vliegveld kom en de beveiliger hoor schreeuwen: “Fawakebakra, welkom in Suriname!”.

Geschreven door Merel Gootjes

Vakantieverhalen / reisverslagen

Gerelateerde artikelen