De magie van Afrika

Bestemming: A. Lake Chala (Kenia)
Periode: oktober 2015
Vervoer: fiets
Accommodatie:

Vanuit Lake Chala fietsen we omhoog. Dag 5 van de Africa Classic. De Kilimanjaro met zijn witglazuren top ligt voor ons. Hij steekt scherp af tegen de blauwe hemel. De voorgaande dagen heb ik hem matgrauw gezien in de regen en heiig wit in de hitte. Ik heb hem van veraf als een stompe potloodpunt uit het landschap zien steken en van dichtbij massief zien opdoemen.

Fietsen
Fietsen


Over mulle zandwegen rijden we door een glooiend landschap van akkers waar vrouwen met gekromde ruggen op het land werken. Telkens als ze ons in de gaten krijgen, richten ze zich op en staren ons aan. Het opgewekte ‘Jambo!’ van sommige fietsers krijgt geen respons van de vrouwen, wel van de kinderen die naar de rand van de weg rennen en schateren om deze uiterst merkwaardige processie, op de fíets nog wel, dat vervoermiddel van de armen. We geven high-fives, met één hand angstvallig aan het stuur om niet onderuit te gaan. Driehonderd kilometers over de flanken van de Kilimanjaro hebben we erop zitten. Tachtig fietsers voor het goede doel: schoon water en goed sanitair in de arme delen van Kenia en Tanzania. Ik fiets om nog een reden.

Sinds het vertrek uit het tentenkamp aan de rand van het kratermeer hebben we twee uur gefietst. De groep is uit elkaar gevallen. Emma en ik hebben elkaar gevonden in hetzelfde tempo. Voor en achter ons geen fietser te bekennen. We letten goed op de pijlen die met gebluste kalk in het zand zijn gemaakt. Ik heb ook een gps-apparaat op mijn stuur geklemd, maar veel vertrouwen in een juiste bepaling van onze locatie heb ik niet, evenmin in mijn vermogen om het ding goed af te lezen.

Bij een fraai uitzicht houden we halt. Met de Kili in onze rug kijken we naar de uitgestrekte savanne van wat het zuiden van Kenia moet zijn. Tientallen, misschien wel honderden kilometers kijken we weg vanaf dit hoge punt waar we staan, tot aan de contouren van een bergketen die, als je aan de voet zou staan, indrukwekkend moet zijn.

De savanne lijkt van deze afstand op een enorme, droge rivierbedding met groene eilandjes, bruine modderstromen en geelgedroogde poelen. Het oude land van de Masai, van de olifanten, de leeuwen en de aasgieren. Ik speur de vlakte af. Zou je op deze afstand iets kunnen zien? Kuddes gnoes? Zebra’s? Ik zie geen enkele beweging. Een gestold landschap. We maken plaats voor een kleine vrachtwagen die over het zandpad komt aangehobbeld. De laadbak, waarop een open kooi van houten planken is gemaakt, staat vol met mensen. Ze hebben afgedragen westerse kleding aan. Twee van hen zijn in traditionele Masai-gewaden gestoken, het knalrood staat in sterk contrast met de vale kleren van de anderen. De vrachtauto stopt voor onze fietsen. Door het open zijraam monstert een vrouw ons van top tot teen. Ze kijkt ons een poosje aan, ik glimlach vriendelijk, tot ze plots driftig van wal steekt. Ik versta er geen woord van. Ik kijk naar Emma, die er zo te zien ook niets van begrijpt. De vrouw gebaart enkele malen naar de laadbak, waar de mensen rustig afwachten op wat komen gaat. Emma oppert dat ze ons een lift wil geven. Dat klinkt aannemelijk, we hebben inmiddels wel door dat de Tanzanianen ons voor gek verklaren met onze fietsen. Een aantal mannen in de laadbak begint enthousiast te wenken. We overleggen wat te doen. Zou het erg onvriendelijk zijn om de uitnodiging af te slaan? We gokken het erop.
“No, thank you, thank you very much, asante sana,” zeggen we, terwijl we minzaam met onze hoofden knikken.
De vrouw kijkt ons niet-begrijpend aan. Ze schudt traag haar hoofd en wendt zich tot de chauffeur die op haar bevel een dot gas geeft. We zien de mannen in de laadbak joelen, de vrouwen ons nieuwsgierig aankijken, totdat een flinke stofwolk ons het zicht ontneemt.
Masai
Masai


Even later komen we bij een tussenstop. Ik zet mijn fiets tegen een boom en hang mijn helm aan het stuur. Ik doe mijn handschoentjes af en leg ze in mijn helm. Bij één van de jerrycans met water spoel ik de rode aarde van mijn handen en vul mijn bidons bij. Er staan versnaperingen op tafel. Ik neem een handvol noten en wat fruit en kijk om me heen. Ik schat dat de helft van de groep er inmiddels is. Daan komt op me af.
“Heb je die zebra’s gezien?” vraagt hij.
Verdomme, denk ik.
“Zebra’s? Nee, niets gezien. Waar dan?”
“Bij dat stuk weg waar je zo’n mooi uitzicht over de savanne had.”
“Kon jij ze zien lopen op de savanne dan?”
“Nee joh, ze stonden aan de andere kant, bovenop de heuvel. Een hele groep, wel tien of twaalf ofzo.”

Verdomme. Ik wil zó graag wildlife zien. Zebra’s, giraffen, olifanten, gnoes, gazellen, de hele rambam. Sinds de natuurbeelden van Afrika die ik als kind op tv zag, is dat een heimelijke wens. Hoe ik sindsdien op elk continent voet heb gezet behalve Afrika, is me een raadsel. Nu, fietsend op de flanken van de Kilimanjaro, nu móest ik dan toch dát Afrika te zien krijgen! Maar dat viel nog niet mee. Dag 1 tot en met 3: niets. Dag 4: bavianen bij Lake Chala. Bavianen! De huismussen ondere de exotische dieren. Ik begon een tikje bezorgd te raken. Natuurlijk, op de fiets door het Afrikaanse landschap, de geuren, de kleuren, alles dichtbij, scherp en helder waar te nemen – dat is waanzinnig. De Masai die in felle rode en blauwe gewaden door het bruingele landschap trekken, kuddes met koeien en geiten voor zich uitdrijvend met lange stokken. De oude baobab-bomen met hun brede stammen en harkerige takken, als op een kindertekening. Fantastisch! Maar een glimp van die grote zoogdieren zou toch...
Geweldig uitzicht
Geweldig uitzicht


Het is middag geworden. De zon maakt onze schaduwen klein. We fietsen langs de rand van een tropisch regenwoud. (Een tropisch regenwoud! De variatie in het landschap rond de Kilimanjaro is verbazingwekkend: savannes, dennenbossen, zandvlaktes, rijstvelden, suikerrietplantages, roodbruine akkers.) Rechts het laagland, links hoge bomen in weelderig groen. Bijna ondoordringbaar groen, in alle kleurschakeringen, met stammen, lianen en takken die vrijwel aan het zicht zijn ontnomen. We fietsen bij uitzondering op een asfaltweg, Emma, Daan en ik. Het gaat langzaam omhoog. Na een bocht stuiten we op twee gestrande fietsers. Het zijn de Duitser en zijn vrouw, de enige niet-Nederlanders in de groep. De Duitser is bezig met de ketting van een fiets die op zijn kop in de berm staat. Zijn vrouw wuift naar ons zodra ze ons ziet. We stappen af.
“Was ist loss?” vraagt Daan en hurkt naast de Duitser om het probleem te bekijken.
Ik kijk om me heen en vraag me af of ik moet wachten.
“Ik fiets alvast naar de top,” zeg ik, wijzend naar een punt waarop de weg op lijkt te houden. “Ik wacht daar wel op jullie.”
Het is een paar honderd meter naar de top. Het is stil, op mijn ademhaling en het zachte ratelen van de ketting over de tandwielen na. Er komt vrijwel geen verkeer over deze weg. Je vraagt je af waarom juist hier een asfaltweg is neergelegd. We zijn over wegen van brokkelig vulkanisch gesteente gereden, met greppels en richels, waar het een drukte van belang was met bussen, vrachtwagens, brommers en auto’s. Je reed er voortdurend in een wolk van stof en uitlaatgassen, hopend dat er geen opspattend steentje tegen je gezicht zou slaan. Ik minder vaart, stuur de smalle berm in en zet mijn voet aan de grond. Ik sta op de top, waar de weg weer naar beneden buigt, en tuur naar de savanne in de verte. Voor de zekerheid draai ik me om en kijk het groen in, waar twee kolenzwarte ogen me ontmoeten.
Kilimanjaro
Kilimanjaro


De wind speelt met de bladeren, een vlieg zoemt bij mijn oor, ik verroer me niet. Onze ogen houden elkaar vast als magneten. De witte banen langs zijn kop vallen me op. In de rand van mijn blikveld zie ik ook de contouren van de rest van zijn lijf, zwart met een witte staart en mantel. Het is een franjeaap, weet ik. Hij moet aan de uiterste rand van zijn leefgebied zijn. Hij zit op niet meer dan vijf meter van me vandaan, onaangedaan. Ik neem álles in me op: het oogwit om zijn gitzwarte pupillen, de witte biezen en franjes van zijn vacht, zijn uitstaande oren, de wind die langs mijn bezwete gezicht en benen strijkt, het broeien onder mijn helm, het geritsel van de bladeren, het gekraak van een tak, de warme lichtmossige lucht die mijn neusgaten binnenkomt. De hele wereld speelt zich af binnen het magnetisch veld dat ons tegelijkertijd scheidt en verbindt. Dan zeilt er een zwarte gestalte hoog boven me van de ene naar de andere boomtop. Plotseling zie ik meer beweging in het woud. Een forse aap die over een tak loopt, zich afzet, eventjes door de lucht zweeft en neerkomt op een dikke tak die zwiepend zijn gewicht probeert te dragen. Ik zie een andere aap met een kleintje op zijn rug over een brede tak wandelen. Ineens ontwaar ik overal apen, klein en groot, zwart met wit. Ze gaan allemaal één kant op, dieper het bos in. Ik richt me weer op de grote aap voor me, die er nog exact hetzelfde bij zit. Plots slaakt hij een kreet, een hard ie-ie-iiieee. Ik zie zijn grove gele tanden, zijn bruine tandvlees en roze tong. Hij kijkt achter zich, komt overeind en slingert een boom in. Met een grote sprong steekt hij over naar de volgende boom, dan zie ik hem niet meer, het bos sluit zich. Na een paar tellen galmt in de verte zijn kreet nog een keer.

Mijn ademhaling komt weer op gang. Ik beweeg mijn vingers, mijn armen. Strijk het zweet weg dat in mijn wenkbrauwen hangt. Kijk om me heen, er is niemand. In de verte zie ik de vier rond de fiets staan, die nog steeds op zijn kop in de berm staat. Een huivering trekt door me heen, gevolgd door een ontspannen en warm gevoel. Zometeen dalen we af naar beneden, naar de savanne. Daar ergens zijn ze, de giraffen, zebra’s en olifanten. Of ik ze zie? Ik weet het niet. Ik laat de magie van Afrika haar werk doen.

Geschreven door T. van der Weegen

Vakantieverhalen / reisverslagen