Gratis reisvoorstel aanvragen

Madagascar 2006

Bestemming: A. Antananarivo (Tana) (Madagaskar) , B. Sambava , C. Marojejy National Park , D. Antalaha , E. Antananarivo (Tana) , F. Andohahela National Park , G. Antananarivo (Tana) , H. Maroantsetra , I. Mananara , J. Nosy Antafana , K. Ile Sainte Marie
Periode: november 2006
Vervoer: Vliegtuig, taxi en 4WD
Accommodatie: Diverse

Na diverse bestemmingen te hebben overwogen (Gabon, Venezuela, Panama, Malawi) zetten we op een rijtje wat we nou precies zoeken in onze bestemming; "remote wilderness", avontuur, weinig toeristen, mooie stranden, goede accommodaties en, niet geheel onbelangrijk, veiligheid. Kortom, precies dat wat Madagascar te bieden heeft en dus besluiten we voor de derde keer op rij het Grote Rode Eiland te bezoeken.

Natuurlijk willen we nu nog meer off the beaten track, naar nog exotischer en meer afgelegen plekken dan voorheen. De volgende bestemmingen zullen we bezoeken: Marojejy National Park, een ruig en afgelegen berggebied, leefomgeving van de zeer zeldzame Silky Sifaka. Dan Fort Dauphin in het zuiden van Madagaskar en ten slotte, verreweg het meest uitdagende onderdeel van de reis; een trektocht te voet langs de oostkust, van Maroantsetra naar Mananara. We eindigen de reis op Ile Sainte Marie, het tropisch eilandje voor de kust.

Zeldzame Silky Sifaka
Zeldzame Silky Sifaka


Het bezoeken van zulke exotische plekken vergt enige voorbereiding. Om te beginnen moesten er binnenlandse vluchten worden geboekt. Dit was een behoorlijk puzzelwerk; november tot maart staat bekend als laagseizoen waardoor het aantal vluchten behoorlijk is gereduceerd. Dit heeft als gevolg dat wij vaak terug moeten keren naar Tana om hier te overnachten omdat er simpelweg geen manier is om rechtstreeks van bestemming A naar B te vliegen. Uiteindelijk hebben we aan de hand van de vluchtschema's onze reis weten op te zetten. Nu was het nog zaak om het bezoek aan Marojejy en de oostkust-trek te regelen. Beiden zijn onherbergzame, afgelegen gebieden en moeten worden bezocht met ervaren gidsen, koks en natuurlijk dragers. Na eindeloos heen en weer gemail en onderhandelen met diverse contacten in Madagascar zou dit alles geregeld moeten zijn.

Interessant gegeven is dat Madagaskar midden in de verkiezingen zit. Het was nog even onduidelijk of onze reis überhaupt wel door kon gaan. Een uit het land verbannen politicus stond op het punt terug te keren om zich kandidaat te stellen, met alle onrust van dien. Deze politicus komt uit hetzelfde kamp als de voormalige president die debet was aan een kortstondige burgeroorlog in 2002. Men heeft hem dit keer echter uit het land weten te weren waardoor hij zich niet bijtijds heeft kunnen aanmelden, en dus simpelweg niet mee kan doen aan de verkiezingen. Waarop het ook weer rustig werd.

Antananarivo (Tana), hoofdstad van Madagaskar

Wanneer we 's ochtends vroeg volgens schema arriveren op Ivato airport is daar natuurlijk onze vriend, gids, chauffeur en manusje van alles Rija en zijn trouwe compagnon Dyna om ons naar ons hotel te brengen. Dit keer slapen we in Tana Jacaranda guesthouse, prachtig gelegen op een heuvel met uitzicht over Tana en Rova palace. De dame van de receptie is uiterst vriendelijk en het is dan ook geen enkel probleem om al zo vroeg in te checken. We lopen de steile trappen op met onze bagage en nodigen Rija en zijn broer uit voor een kop koffie, niet beseffend dat het pas 7 uur is en we alle aanwezige gasten wakker hebben gemaakt.

Later die dag wandelen we wat door Tana. De grote trap blijft een fantastisch aanzicht, de mismaakte zwerfkinderen blijven hartbrekend. Helaas staat het oude koninklijk paleis in de steigers, maar het uitzicht over Tana is fantastisch. De Jacaranda bomen staan in bloei en hun paarse bloemen zijn overal te zien. 's Avonds eten we gastronomisch in restaurant Le Rossini, om de hoek van ons hotel.

Jacaranda bomen met de paarse bloemen
Jacaranda bomen met de paarse bloemen

Sambava

's Ochtends is Rija er om ons op te halen en naar Ivato airport te brengen. We stappen op de vlucht naar Sambava, gelegen aan de oostkust. Wanneer we geland zijn en uitstappen staat er een orkestje te spelen; traditionele muziek en zingende kinderen, wat een onthaal! Het is natuurlijk niet voor ons maar voor een Chinese delegatie, zij krijgen bloemen om hun nek gehangen en tegen de tijd dat wij onze bagage hebben verzameld staan zij nog steeds te dansen met de band. We pakken een taxi naar Hotel Orchidae II, een hotel aan een fraai strand waar uitsluitend lokalen zwemmen of luieren. We hebben een lunch met de door ons felbegeerde Gamba's en wandelen over het strand en door Sambava. De sfeer is uitermate relaxed en de mensen zijn zeer vriendelijk. Als we ergens gezang horen en naar binnen gluren zien we daar de Chinezen van het vliegveld. Blijkbaar zijn zij nog steeds niet verlost van hun welkomst comité, ze kijken ietwat ongelukkig.

Opvallend veel mensen in Sambava fietsen. Vanwege de verkiezingen heeft China fietsen geschonken om alle mensen in staat te stellen de gang naar de stembus te maken. Typisch genoeg blijken de hotels op zondag (vandaag) hun keuken te sluiten en dus moeten we noodgedwongen elders eten. We vinden een Malagasy restaurant waar we prima eten en drinken voor 8 euro. In Afrika lijkt de tijd eeuwig stil te staan.

Andapa, aan de voet van het Marojejy Massief

Ons hotel blijkt te worden bevolkt door een stel Fransen van middelbare leeftijd die 's ochtends aan de ontbijttafel aanschuiven met wel heel jonge Malagasy dames. Een uur later dan afgesproken worden we opgehaald door Jean Claude in zijn renault 4 (veruit het populairste vervoersmiddel hier) en gaan op weg naar Andapa, een dorp aan de voet van het Marojejy Massief. De rit duurt ruim 2 uur over een prima onderhouden weg. De omgeving is prachtig met hoge bergen en stromende rivieren. Wel schrikken we van de enorme ontbossing die de vruchtbare omgeving hier in rap tempo verwoest.

Tegen de middag bereiken we Andapa en worden verwelkomd door Eric Mathieu; een zeer vriendelijke fransman die in Andapa woont en een winkeltje bestiert met "used goods". Echter door de vele emailtjes van toeristen en dankzij de voor hem gemaakte website heeft hij hiernaast ook de taak op zich genomen om tours naar Marojejy te organiseren. Volgens Eric komen er zo'n 20 toeristen per jaar naar deze afgelegen streek en dat vindt hij wel prima. We betrekken het zeer propere hotel Beanana en wandelen wat door Andapa. Een zeer levendig en vrolijk dorp en vrijwel iedereen lijkt geamuseerd om ons te zien. De president van Madagascar himself blijkt vandaag op bezoek te komen. Hij is op verkiezingstournee per helikopter en we horen hem nog net vertrekken.

Marojejy National Park

De volgende ochtend worden we vroeg opgehaald door Eric in een stoere jeep en gaan we op weg naar Marojejy National Park. Onderweg vertelt Eric nog eens over zijn frustraties rond Tavy; rond de verkiezingen bereikt de zo gehate slash & burn methode een hoogtepunt (of beter gezegd een dieptepunt) omdat de overheid te druk is met campagne voeren en geen tijd heeft voor gedegen controles; vrij spel dus. In Madagascar geldt de vreemde regel: het land dat je kapt en plat brandt, wordt automatisch je eigendom. Een vorm van schaamteloze landjepik dus. Eric doet zijn best hier iets aan te doen, maar dat wordt hem niet in dank afgenomen. Paul, een "peacecorps volunteer" die verantwoordelijk is geweest voor het in kaart brengen en toeristisch ontwikkelen van dit gebied (hij heeft ook de website gemaakt) moest zelfs worden geëvacueerd nadat hij de namen van illegale Rozenhout handelaren had doorgespeeld aan de overheid. Maar vandaag de dag schijnt de rust te zijn wedergekeerd en profiteren de mensen hier van de toeristen die dit unieke gebied bezoeken.

Nationaal Park Marojejy
Nationaal Park Marojejy


Marojejy is een ruig berggebied van 60.000 hectare primair regenwoud. Eén van de 25 meest bedreigde diersoorten ter wereld, de Silky Sifaka, houdt hier huis. Het dier is pas in 2000 voor het eerst gefotografeerd en het eerste gedegen onderzoek naar deze lemuur vond plaats in 2001 door PBS voor het programma Nova. Dezelfde gidsen die de expeditie toendertijd leidden gaan vandaag met ons mee op pad. We hebben 5 man mee: Een gids genaamd Desire, een Sifaka tracker genaamd Nestor, twee dragers en een kok.

De jeep brengt ons tot we niet verder kunnen en vervolgens steken we te voet een rivier over. Het laatste dorpje wat we tegenkomen heet Mandena. Het is zeer exotisch gelegen in een vallei aan de voet van het Marojejy massief. Het begint zachtjes te regen maar al gauw begint het te plenzen en wordt alles nat. Er valt hier 7 meter regen per jaar en dat zullen we merken ook, ook al is dit normaal gesproken de droogste periode van het jaar. Na 4,5 kilometer lopen bereiken we de ingang van het park en zijn we blij als we even onder een afdakje kunnen schuilen. Ondanks de poncho's zijn de meeste spullen doorweekt.

We gaan verder op weg naar Kamp 1, nog eens 4 km verder en we beginnen dwars door het regenwoud aan een fikse klim omhoog. Het blijft maar regenen en dat maakt het niet alleen onaangenaam, maar het maakt het onmogelijk foto's te maken van deze prachtige omgeving. We bereiken Kamp 1 maar we moeten verder, zegt Desire onze gids, want we moeten overnachten in Kamp 2, nog eens 1,5 uur verder en flink hoger gelegen. Ik stel voor tenminste even te pauzeren om op adem te komen, waarna we beginnen aan de zware klim naar Kamp 2.

Kamp 2 bestaat uit enkele hutjes en tegen een steile rotswand is een houten kampement gebouwd waar wordt gekookt en gegeten. Eindelijk zijn we er, doorweekt en met hevig bloedende voeten van de bloedzuigers. De droge kleren in de rugzak zijn nat. Werkelijk niets is droog gebleven en we proberen boven de pannen nog iets te drogen. Er zijn zebu steaks gebakken en wanneer de dikke wolken even uit het zicht verdwijnen is daar ineens het adembenemende uitzicht op de torenhoge Marojejy piek. Onze laatste opgave is het hutje droog bereiken met onze eindelijk opgedroogde spullen. Als het blijft regenen (het komt nog steeds met bakken uit de hemel) zullen we de nachtwandeling over slaan en zullen we nog maar moeten zien of we de Sifaka zoektocht morgen kunnen ondernemen.

Marojejy National Park

Na een korte nacht in het zompige, vochtige hutje van kamp 2 blijkt het gelukkig te zijn opgehouden met regenen. Eindelijk kunnen we de omgeving een beetje in ons opnemen. De wereld moet er zo miljoenen jaren geleden uit gezien hebben: pieken, watervallen en ongerepte oerbossen. Het enige wat onbreekt zijn de Pteranodons die om de top van de berg cirkelen. Van alle plekken die we in Madagascar hebben gezien, spreekt deze het meest tot de verbeelding wat de omgeving betreft. Het wildleven is iets minder zichtbaar, hoewel.. Ringstaart Mangoesten komen op de geur van het ontbijt af en er zit er eentje voor ons hutje.

Nestor is de bergen in getrokken om de Silky Sifaka troep op te sporen die in een 40 hectare groot gebied rond het kamp zwerven. Al gauw klinkt er een roep; ze zijn gespot. Nog zonder te hebben ontbeten haasten we ons het bos in en maken een loodzware klim omhoog. Na een tijdje zien we ze: spierwitte Silky's, sommigen met jong op hun rug. Volgens velen is dit de mooiste van alle lemuren en tevens de meest zeldzame; hij komt alleen voor in Marojejy en het aangrenzende park Andjanaharibe-Sud. Ze bestaan niet in gevangenschap.

Silky Sifaka van heel dichtbij
Silky Sifaka van heel dichtbij


We observeren de spookachtige dieren met hun lange benen een hele tijd waarna we terug lopen naar het kamp. Onderweg komen we Paul tegen, een Britse bioloog die onderzoek doet naar vlinder- en mottensoorten. Met zijn vlindernetjes vangt hij ze en brengt ze vervolgens in kaart. Heeft hij nog een nieuw diersoort ontdekt? Jazeker, een nieuwe vlinder. Als het inderdaad blijkt te gaan om een nog niet ontdekte soort dan mag hij de naam voor het dier bedenken.

Na wat ontspannen en genieten van het prehistorische uitzicht gaan we op weg terug naar Kamp 1 (we houden de klim naar het hoge kamp 3 voor gezien) en nu het droog is en we niet klimmen maar dalen gaat het een stuk eenvoudiger dan op de heenweg. In Kamp 1 zijn we de enigen en onze kokkies bereiden een maaltijd voor. Na een geweldige malse zebusteak lopen we naar de 900 meter verderop gelegen Cascade d'Humbert en krijg opnieuw een hevige bloedzuiger aanval te verduren. Wanneer je ze niet op tijd verwijdert zuigen ze zich vol met je bloed en zwellen op tot wel 40 keer hun eigen proporties. Bovendien injecteren je ze met een anti-stolsel waardoor je bloed nog uren blijft stromen. In China gebruiken ze bloedzuigers dan ook medicinaal om het bloed te reinigen.

We bereiken Humbert's waterval, vernoemd naar de Fransman Henry Humbert die dit gebied in 1948 ontdekte en liet beschermen. Jaren was het slechts toegankelijk voor wetenschappers, totdat het in 1998 uiteindelijk voor toeristen is opengesteld. Op de weg terug nemen we een duik in het frisse, heldere water tussen de rotsen van de rivier (dit water is gewoon te drinken). Wat me verder opvalt in Marojejy is dat, in tegenstelling tot campsites in de andere parken in Madagascar, op een enkele Mangoest na, hier geen lemuren rond de keukens hangen op zoek naar eten. Het motto hier is "keep the wildlife wild". Er hangen in de kampen bordjes met instructies en de gidsen dienen al hun etenswaren netjes op te ruimen. Zo te zien wordt het goed nageleefd. 's Avonds maken we alsnog een korte nachtwandeling. We zien en horen ontelbare kikkers en zien oogjes oplichten, hoog in een bamboeboom.

Marojejy - Antalaha

We brengen opnieuw een moeizame nacht door in de hutjes van Kamp 1, de kuiten doen pijn en een verkoudheid speelt op. Zal wel door de natte kleren komen. Dan is het weer ochtend en na het ontbijt moeten we terug lopen naar de ingang van het park, ruim 4 km. Het valt niet mee met de spierpijn om nog zo'n 4 uur te lopen en opnieuw ontzien de bloedzuigers ons niet. Gelukkig regent het niet en worden al onze spullen gedragen. Na 4 pittige uren bereiken we de ingang van het park. We rusten even uit maar worden direct aangevallen door de muggen en gaan dus verder, nog eens 5 km verder richting Mandena. Op dit soort momenten vraag je je wel eens waar je in godsnaam mee bezig bent. Maar wanneer we eenmaal Mandena bereiken met alle vrolijke mensen en rennende kinderen die "Salut Vazaha" naar ons roepen is het humeur direct opgeklaard.

We sjokken nog een uurtje door tot we de bewoonde wereld weer bereiken. We drinken met de jongens een warme cola. Ineens komt Eric in z'n jeep voorbij. Ik steek m'n duim op om mee te liften maar hij rijdt door en roept in het voorbij gaan iets over koud bier... We passeren een schooltje dat bestaat uit 2 lokaaltjes en een toilet. Het schoolhoofd komt naar buiten en verwelkomt ons. Alle kids in het klasje gaan prompt staan en roepen keurig in koor "bonjour madame!" De leraar geeft uitleg over de lessen die hij geeft. Wanneer we eindelijk de receptie van het park bereiken blijkt Eric ons op te wachten met een lunch en.. ijskoud bier! Ik verklaar hem tot God en zeg nog iets als "cream on the pie" waarna we ons storten op het koude bier en een heerlijke pasta salade.

Na een uur genieten met Eric en zijn jongens, die allemaal nog even op de foto willen, lopen we nog even terug naar het schooltje om een lading mee gebrachte kleurpennen aan het schoolhoofd te geven. Desire is mee gekomen en drukt de kids nog eens op het hart hoe belangrijk het is de natuur lief te hebben en het Marojejy Massief voor altijd te beschermen. De kinderen dreunen het vlekkeloos op. Het ziet er dus naar uit dat Marojejy ook voor het nageslacht bewaard zal blijven, met dank aan mensen als het schoolhoofd, Eric en Desire.

Het is tijd om te vertrekken en met pijn in het hart gaan we met Jean Claude op weg, die prompt een tape met treurige country liedjes opzet, een bandje wat hij de komende 3 uur blijft draaien. Met de Renault 4 rijden we naar Antalaha, gelegen aan de oostkant van het Masoala peninsula vanwaar morgen onze vlucht terug naar Tana gaat. Eenmaal in Antalaha stoppen we bij hotel Chez Nanie maar dit hotel ziet eruit alsof het al 2 jaar leeg staat en het personeel varieert van ongeïnteresseerd tot onbeschoft. Dus slaan we de Lonely Planet open en vragen Jean Claude ons naar hotel Momo Beach te brengen. Het blijkt een schitterend reusachtig hotel pal aan zee met luxe bungalows en prachtig ingerichte ruimtes. Ziels alleen (er is ruimte voor wel 100 man maar we zijn wederom de enigen) nuttigen we kreeft en een fles franse witte wijn en gunnen onze zere beenspieren de nodige rust. (NB: Later horen we dat de eigenaar van Momo Beach veel gebruik maakt van tropisch hardhout en onder andere betrokken zou zijn bij handel in illegaal hout. Ik kan het dus niet aanbevelen.)

Antalaha - Tana

Na een ontspannen nachtrust nuttigen we ons ontbijt aan een tafel die permanent wordt bewoond door 2 knalgroene Daytime Geckos. Beiden zijn nog klein (ik zag vorig jaar een versie van zo'n 25 centimeter) en duidelijk nog in opleiding: telkens als een vlieg op de tafel landt steken ze hun kopje tussen de de spleten door om hun prooi te besluipen, maar nooit slagen ze erin iets te verorberen. Jean Claude komt ons ophalen, hij is vannacht ergens in Antalaha blijven pitten, en brengt ons naar het vliegveld voor onze vlucht terug naar Tana. Volgens de Lonely Planet is het een rit van 200 meter, maar in werkelijkheid blijkt het 10 kilometer te zijn. Je zal maar besluiten met je bagage die 200 meter even te gaan lopen! De vlucht arriveert op tijd en tegen het middaguur arriveren we in Tana, waar we dit keer hotel Radama betrekken. Om onze kamer te bereiken moeten we talloze trappen beklimmen maar het uitzicht vanuit onze kamer over Tana is dan ook de moeite waard. We drinken een drankje in onze favoriete bar van Hotel de France.

Tana - Fort Dauphin

Voor dag en dauw moeten we weer op voor onze vlucht naar Fort Dauphin, Madagascar's zuidelijke punt. Wanneer we om 6 uur op het vliegveld aankomen zien we een hoop zwaar bewapende mililtairen en gendarmes. Het vliegveld is gesloten en niemand lijkt te weten wat er aan de hand is. Langzaam begint het nieuws door te sijpelen dat afgelopen nacht een verstoten generaal heeft aangekondigd een staatsgreep te plegen, waarop er kort gevechten zijn uitgebroken op de militaire basis naast het vliegveld. Als voorzorgsmaatregel is daarom het vliegverkeer stil gelegd. Dit klinkt allemaal heel eng en dreigend, maar de werkelijkheid is dat je niets van enige spanning merkt, behalve dan dat er meer militairen dan normaal rond lopen. Wat wel vervelend is dat onze vlucht, en tevens alle anderen, flinke vertraging oploopt.

Na een tijd wordt er omgeroepen dat de vluchten worden hervat en kunnen we inchecken, maar op het aankondigingsbord is echter geen spoor te vinden van onze vlucht van 5 voor 7 naar Fort Dauphin. Na veel rondvragen blijkt dat onze vlucht gecanceld is wegens een gebrek aan passagiers. Deze blijkt te zijn samengevoegd met de avondvlucht van half 8. Kortom, we gaan dik 12 uur later dan gepland. We moeten dus onze tijd zien te doden en gaan Tana maar weer in en brengen een bezoekje aan King's palace, 16 km ten noorden van Tana, hoog gelegen op een heuvel en een bekende toeristische attractie. Het onderkomen van de oude koning is wel zeer bescheiden in vergelijking met de kolossale, protserige europese vorstenhuizen.

Na het bezoek gaan we weer kris-kras terug door Tana en na een lange dag kunnen we dan eindelijk om half 8 op weg naar Fort Dauphin. Helaas verliezen we dus een hele dag. Wanneer we eindelijk in Fort Dauphin landen worden we opgewacht door Jerome, een lokale gids met wie we hier 2 dagen op pad zullen gaan. We kiezen Gina's motel uit uit de gids. Hoewel de bungalows ruim zijn en wellicht ooit luxueus zijn ze muf en de matrassen zijn al jaren aan vervanging toe. Mevrouw Gina is hier ooit met hart en ziel aan begonnen, maar toen ze overleed hebben haar kinderen er het bijltje bij neer gegooid.

Fort Dauphin

De volgende ochtend besluiten we te verkassen. Er loopt een lemuur over de ontbijttafel die als huisdier dient voor Gina's zoon. We bestellen een taxi die wordt bestuurd door een minderjarig persoon, en als we onze bagage hebben in geladen wil de auto niet meer starten. Met vereende krachten duwen we het ding aan tot hij aanslaat en we rijden naar hotel Lavasoa, gebouwd tegen een heuvel met een fantastisch uitzicht over een baai met een fraai strand. Het bevalt ons een stuk beter dan Gina's. Hoewel het hier vaak waait is het vandaag windstil. We relaxen op het strand en lunchen in een prachtig restaurant in Afrikaanse stijl gedecoreerd.

Andohahela National Park

's Ochtends om 7 uur worden we opgehaald door Jerome in een rammelende minibus, bestuurd door een bejaarde chauffeur, en beginnen onze rit naar Parque National Andohahela. Het park staat bekend om z'n kurkdroge spiny forest wat via een bufferzone overloopt in regenwoud. De weg erheen is in belabberde staat. Hij was ooit geasfalteerd maar lijkt nu wel een maanlandschap. De ouwe minibus hotst en botst door de kuilen. Het hete zuiden is erg arm, er groeit hier niets dan mais en maniok. Groente is er niet en water is zeer schaars. Zeer jonge kinderen, niet ouder dan 10, zijn in de kokende zon bezig de diepe gaten in de weg te dichten. Het is hun manier om een centje te verdienen en rekenen op een fooitje van de chauffeurs van de toeristen busjes, met name die naar Berenty pendelen.

Wat Berenty betreft, het is de voornaamste, zoniet de enige attractie in Madagaskar die massaal toeristen van over de hele wereld trekt en wereldberoemd is. Als je lemuren op TV ziet in een documentaire, dan is de kans groot dat ze zijn gefilmd in Berenty. Het reservaat wordt beheerd door de rijke Jean de Haulme, een monopolist die tevens 3 hotels bezit. Wanneer je naar Berenty wilt ben je verplicht in een van zijn hotels te slapen en met zijn dure minibus naar het park te reizen. Kom je met je eigen taxi, dan mag je er niet in. Een nachtje Berenty inclusief vervoer kost ruim 280 euro per persoon. Er zijn dan wel heel veel lemuren te zien, maar sommigen zijn ziek (kaal) doordat zij eten van een giftige boom die door de Haulme is geïmporteerd. Ook wilde hij olifanten, struisvogels en gorilla's naar zijn park halen (hier stak de overheid gelukkig een stokje voor) en plukt hij lemuren weg uit andere reservaten. Kortom, een hoog zoo-gehalte, massa toeristisch en duur, dus niets voor ons.

Na een lange rit bereiken we de ingang van het park en beginnen een wandeling door het snikhete en gortdroge park. Er staan dikke baobab bomen en opmerkelijke planten die nergens anders ter wereld groeien, maar het is vooral héét. We lopen die dag dik 4 uur door de hitte en we zien geen lemuren. Het is loodzwaar en zijn aan het einde van de dag kapot. Het was de lange rit niet echt waard. Ik ben mijn zonnebril verloren ergens bij de ingang en we rijden er heen, en lopen een stuk het park in maar geven het na een tijdje op. Jerome en de parkbeheerder lopen echter nog een stukje door en vinden niet alleen mijn zonnebril, maar ook een troep witte Sifaka's. Daar krijgen wij dus niets van te zien.

Evatraha

Vandaag moeten we verkassen van onze bungalow in Lavasoa omdat deze geboekt is en belanden in de "studio", de nog luxere variant. Deze bungalow is voorzien van een keuken met ijskast, het is een aparte ervaring om vanachter de bar in je keuken over een baai uit te kijken. Wat een uitzicht! Vandaag gaan we naar Evatraha, een klein vissersdorpje en voor mij persoonlijk het hoogtepunt van Fort Dauphin vanwege het sublieme uitkijkpunt over het dorpje met daarachter de lagune, de bergen en weer daarachter Fort Dauphin. Het is de bedoeling dat we er met een bootje heen varen maar er staat een forse wind en hoewel we niet over open zee gaan, zien we ervan af vanwege eerdere slechte ervaringen met bootjes in Madagascar. We vragen Jerome daarom of we met de auto kunnen. Hij gaat ervandoor en komt na ruim 1,5 uur pas terug, maar wel met een degelijke 4WD. We worden vergezeld door een vriendelijke bejaarde Fransman en een jong Malagasy meisje. We vragen ons af of het zijn (klein)dochter is maar hij roept triomfantelijk "it's my wife!" en neemt haar mee voorin de auto en slaat zijn arm om haar heen.

Na een uurtje rijden (wat een verschil met de minibus van gisteren!) gaan we te voet verder richting Evatraha. Een prachtig klein dorpje in een spectaculaire omgeving, groen, bergachtig en met azuurblauwe zee rondom. Opvallend is wel dat het vreselijk arm is en de mensen zien er zeer ongezond uit. De kinderen zijn verwilderd en hebben ontstoken ogen en bedelen om geld. Dat is vreemd want dit dorp ziet dagelijks toeristen, veel meer dan elders in Madagascar, dus je zou denken dat de bevolking hier van mee profiteert. We klauteren een heuvel op en over het verwachte uitzicht is werkelijk niets gelogen. We nuttigen onze lunch en dalen af naar een kleine baai wat een soort werkplaats blijkt te zijn voor pirogues: er liggen er tientallen en er wordt volop getimmerd. We relaxen aan het strand, Jerome ligt te pitten in de schaduw van een boom en tegen een uur of 3 houden we het voor gezien en wandelen terug richting de auto.

Terug in het hotel raken we aan de praat met de eigenaresse van Lavasoa en vertellen haar over ons bezoek aan Evatraha en dan met name over de slechte gesteldheid van de mensen. Ze vertelt ons dat er een hoop tijd, moeite en geld in is gestoken om de mensen op het goede pad te krijgen maar ze blijven stug vasthouden aan hun traditionele levenswijze; zo willen ze bijvoorbeeld niet begrijpen dat wanneer je de vis hebt gewassen je dat water niet moet gebruiken om ook je baby in te wassen. Ook is er vers drinkwater beschikbaar maar de mensen maken er nauwelijks gebruik van. Ook betalen toeristen belasting. Dat geld gaat naar de bevolking maar gaat op aan Zama, de lokale rum. Er wordt zelfs flink gevist op kreeften, iets waar Fort Dauphin bekend om staat, maar ook dit geld wordt blijkbaar verkwist. Opvallend is dat het dorpje dat iets hoger ligt in een betere conditie verkeert; het is slechts 100 meter verder maar er staat een school en de kinderen springen touwtje in plaats van de Vazaha's om geld te vragen. Volgens de mevrouw van Lavasoa hangt dit af van het dorpshoofd; blijkbaar is de een wat meer ontwikkeld dan de andere. Het enige positieve is wellicht dat de jonge generatie opgroeit met meer besef van wat goed is voor hun gezondheid.

Nahampoana Reserve

's Ochtends brengen we een bezoekje aan de bank om traveller cheques te wisselen (gaat vrij rap) en nemen een taxi (dezelfde haperende auto als een paar dagen terug) naar Nahampoana, een klein privé reservaat wat als alternatief dient voor Berenty, wanneer het aankomt op een close encounter met Sifaka's en andere lemuren. Een aardige gids komt ons tegemoet en leidt ons door het park. Het is een mooie plek, een soort miniatuur park met een beetje van alles wat Madagascar te bieden heeft. We ontmoeten er een troep ringstaartlemuren die de bananen verorberen die we eerder langs de weg hebben gekocht. Er is een kameleon en de gids heeft een fles vol sprinkhanen zonder poten (zodat ze niet weg kunnen springen) en zodoende kunnen we hem gaan voeren: men neme een sprinkhaan in de vingers, de kameleon rolt met zijn ogen, lokaliseert de maaltijd en klapt zijn enorm lange tong uit om in één hap de sprinkhaan te verorberen. We zoeken ons vervolgens rot naar de Sifaka's, zijn bang dat we ze weer mislopen vanwege het hete middaguur (wanneer ze meestal slapen) maar wanneer we het bijna opgeven zien we de witte donderstenen in een boom zitten. Een tijd lang kunnen we volop genieten van de dieren en hun beroemde dans; wanneer ze zich over de grond bewegen doen ze dat niet op 4 poten, maar "dansen" op hun achterpoten. We zitten op de grond met onze bananen en zodoende moeten ze wel dansen richting de bananen. Wat een ervaring om die prachtige beesten om je heen te hebben.

Fort Dauphin - Tana

De volgende ochtend hebben de tegenwoordigheid van geest om Air Mad te bellen om te horen of onze vlucht dit keer op tijd gaat. Niet dus: niet om half 4 maar pas om 10 uur 's avonds! We besluiten naar het vliegveld te gaan en na enig aandringen kunnen we onze vlucht wijzigen naar die van 2 uur: Via Tulear en Morondave komen we om 6 uur 's avonds aan in Tana. Die avond eten we in restaurant Kudeta; het zit er stampvol en we moesten dan ook lang van te voren reserveren. De prijs/kwaliteit verhouding valt ons een beetje tegen.

Tana - Maroantsetra

Onze vlucht naar Maroantsetra, vroeg in de ochtend, vertrekt zowaar op tijd en om 9 uur zetten we voet in Maroantsetra. We laten ons naar Relais Du Masoala brengen met de grote bungalows en uitzicht over Nosy Mangabe, hetzelfde hotel als vorige jaar. Er ontstaat wat verwarring als blijkt dat Relais onze trek naar Mananara blijkt te willen organiseren. Een enthousiaste gids genaamd Claudio vergezeld ons naar onze bungalow en vraagt hoe laat we willen vertrekken. Ik maak hem duidelijk dat er geen sprake is van een deal en dat we onze trek al tot in detail hebben laten regelen door Michel. Het klopt dat ik bij Relais heb geïnformeerd en een prijsopgave heb gekregen, maar die vond ik te duur en ben er niet verder over ingegaan. Wanneer je een offerte aanvraagt bij een schilder staat hij tenslotte ook niet de volgende dag bij je voor de deur met een kwast, dus ik moet Claudio en zijn baas teleurstellen.

Die middag komt Michel van Ortour naar het hotel om de laatste details door te nemen. We gaan dus te voet van Maroantsetra naar Mananara, 120 km langs de oostkust. We hebben 5 dragers, een kok en een gids en er gaat maar liefst 100 kilo aan proviand mee. We zullen de eerste 20 km smokkelen door een Taxi Brousse te nemen (het Malagasy openbaar vervoer). We zien een beetje op tegen de enorme afstand die we moeten lopen, en Michel's verhalen over instortende bruggen zijn ook niet echt motiverend, maar we gaan het allemaal maar over ons heen laten komen.

In de middag wandelen we door Maroantsetra en ten opzichte van 1,5 jaar geleden is er niets veranderd. De mensen zijn nog steeds zeer vriendelijk en groeten ons allemaal, om over de kinderen maar niet te spreken. Het enige verschil met vorige jaar is dat de betonnen brug, die beide delen van het dorp met elkaar verbindt, finaal is ingestort. De mensen moeten nu met een pirogue de oversteek maken. Die avond barst een flinke onweersbui los en we pakken onze spullen in, klaar voor de Grote Trek naar Mananara.

Maroantsetra - Rantabe

Na een vroeg ontbijt, om 6 uur, worden we opgehaald door een taxi die ons naar het Taxi Brousse station brengt. Wanneer we daar aankomen staat de Taxi Brousse, een 4WD ogenschijnlijk op het punt om te vertrekken. De wagen zit propvol, alle bagage en proviand wordt op het dak vastgesnoerd en wij gaan voorin zitten voorin naast de chauffeur (gereserveerde plekken). Het is wat krap met 3 man op de voorbank, maar het is te doen. Na zo'n 2 uur rijden en een reparatie aan de wielen komen we plotseling met een keiharde knal abrupt tot stilstand. De pickup blijkt finaal door z'n onderstel te zijn gezakt. Het achterwiel staat in een hoek van 45 graden en de as is afgebroken en steekt diep in het zand. Iedereen stapt uit, pakt z'n bagage van het dak en gaat te voet verder. De pickup is volkomen totall loss. Gelukkig hadden we al 18 van de 20 km afgelegd en de laatste 2 naar het eerst volgende dorpje leggen we te voet af. Het is verzengend heet en hebben er al een lange dag op zitten als we neerstrijken op het sportveldje van een schooltje, waar de kok een maaltijd voor ons begint te koken.

Na te hebben gegeten en uitgebreid te hebben uitgerust gaan we de volgende 12 km lopen. De dragers hebben een hoop lol onderling, gelukkig maar, want ik zou alles behalve vrolijk worden van het gewicht wat zij dragen: onze rugzakken van elk ca. 15 kilo, campingspullen, kookgerei en kilo's eten. Een van hen draagt een zware koelbox op zijn schouder en wij, wij dragen vrijwel niets maar zwaar dat we het hebben! Het is verzengend heet, ondragelijk bijna, maar de weg is prachtig. Diepe kliffen met verscholen bounty strandjes, door regenwouden en kleine dorpjes waar mensen kruidnagel op matten te drogen leggen in de zon. We zien diverse Panter Kameleons, een dier waar de meeste Malagasies bang voor zijn: met zijn onafhankelijk van elkaar draaiende ogen kan hij zowel in het verleden als in de toekomst kijken.

Hoewel er volop regenwoud is komen lemuren hier niet meer voor, ze zijn allemaal gedood en opgegeten, maar in een van de dorpjes lopen kinderen een jonge muislemuur te kwellen door hem aan een touwtje te binden en hem rond te zeulen. Het breekt ons hart het arme, zeldzame nachtdiertje zo te zien. We geven de kinderen een standje, maken het touwtje los en bevrijden het doodsbange dier van zijn kwelgeesten. We dragen het dier de rest van de dag mee, beschut van de zon onder een hoofddoekje waar het in diepe slaap is. Laat op de dag bereiken we Rantabe waar we onze tenten opslaan, maar eerst moeten we met een pirogue een rivier over steken. Op een strand voorbij het dorp worden de tenten opgezet. We zijn inmiddels behoorlijk kapot, nog te moe om te eten en we duiken direct de tent in. De muislemuur, die nog steeds slaapt, zetten we in een halve kokosnoot in een palmboom. De volgende ochtend is hij verdwenen.

Rantabe - Tanjona

Die nacht komt de regen met bakken uit de hemel en de tent blijft nauwelijks droog. Zodra het licht is besluiten een stel honden non stop te gaan blaffen en de hanen houden ons ook uit de slaap. Desondanks weet ik aardig wat uurtjes slaap te pakken, maar de vandaag af te leggen 20 km zien we niet zitten. We hopen op een passerende taxi brousse, maar die komt niet. Onze gids weet een jongen op een crossmotor zo ver te krijgen ons, één voor één, een eind verderop te brengen.

We komen terecht bij een vriendelijke Malagasy man genaam Olivier die ons zijn huiskamer aanbiedt. De muren zijn behangen met posters van David Beckham en Titanic. We worden uitgenodigd aan tafel en samen met zijn vrouw en een oudere man eten we spaghetti wat door iedereen met luid geslurp naar binnen wordt gewerkt. Die middag zoeken we het strand op. De oudere man toont ons de weg en neemt plaats naast ons in de schaduw van een palmboom in het zand. Hij is niet meer weg te slaan. Pas als we beiden demonstratief gaan lezen en zelfs gaan slapen besluit hij maar weer eens op te stappen. Het strand is paradijselijk met regenwoud tot aan het witte zand en grote rotsen in het water. Die avond wordt een kip onthoofd ter avondmaal en wij betrekken niet de tent, maar een voor ons door Olivier geprepareerde etage in een van zijn houten huisjes. De dragers slapen op de begane grond, zijn om 8 uur onder zeil en ook ik ben tegen 9 uur vertrokken.

Tanjona - Manambolosy

De volgende ochtend hebben we onze krachten hervonden en kunnen na het ontbijt met frisse zin er tegenaan. We nemen afscheid van Olivier en we beginnen rond half 8 te lopen. We bevinden ons halverwege het traject, 60 km van Maroantsetra en 60 km van Mananara. Het weer is ons vandaag gunstig gezind: het is bewolkt, dus vandaag geen brandende zon, en er staat een fris windje. Sulufunirina Beau Michel (Suluf voor intimi), onze gids, probeert telkens vervoer voor ons te regelen of voortijdige pauzes in te lassen, maar wij blaken van de energie en tot hilariteit van de dragers blijven we maar doorgaan.

We bereiken de grens tussen de Maroantsetra en Mananara regio en ruilen onderweg een blikje sardines voor lychee's - er wordt 5 kilo uit de boom geplukt. We steken met een pirogue een brede rivier over. Zo'n 5 km stroom afwaarts bevindt zich een groot regenwoud waar nog lemuren voorkomen en volgens Suluf maakt dit gebied een goede kans om een beschermd park te worden. Na de oversteek wacht ons een taai stuk bergopwaarts door een wat saai gebied en ook de zon begint genadeloos te schijnen, maar wanneer we het bijna hebben gehad stoppen we voor onze lunch en houden 2 uur pauze.

Ik neem een verfrissende duik in de Indische oceaan aan een gigantisch ongerept verlaten strand en we zetten onze tocht voort. De omgeving lijkt nu een beetje op een tropisch vakantie eiland met grasveldjes vol palmbomen pal aan de oceaan, met wat hutjes en een blauwe zee. De mensen die we af en toe tegen komen groeten ons en wanneer we ergens uitrusten komen kinderen de vazaha's bekijken, maar nooit naderen ze ons dichter dan 20 meter. Om iets vragen doen ze al helemaal nooit. We komen in een dorpje en Suluf wil het kamp hier opslaan. Hij is bang dat we ons eigenlijke doel, Manambolosy, niet zullen halen. Het dichtstbijzijnde dorp is nog 5 km, en Manambolosy nog eens 5. We besluiten door te gaan naar het volgende dorp.

We snijden noodgedwongen een stuk af. Er is een brug ingestort dus we gaan over het strand en een stuk met een pirogue) en komen al na 40 minuten aan in het volgende dorpje aan. Dus besluiten we, tot vreugde van de dragers, de laatste 5 km ook maar te overbruggen. Na een uur doemt Manambolosy op, een dorp van betekenis in vergelijking met de voorgaande. En met een laatste pirogue trip bereiken we het dorp. We hebben vandaag 40 km gelopen en dat is te voelen in de benen. Maar enigzins trots zijn we wel.

Manambolosy - Mananara

Na een nacht in de muffe hotely worden we al vroeg gewekt door de lawaai van het dorp. Bij het openen van de deur stoten we haast een stellage met koopwaar omver; pal voor onze deur is een vrouw kleding aan het verkopen. Er arriveert een taxi brousse en er is plaats voor ons, dus besluiten we de laatste 20 km hiermee af te leggen. We doen er haast 2 uur over en moeten diverse keren uitstappen zodat de auto zonder passagiers een van de krakende, levensgevaarlijke bruggetjes over kan steken. Twee keer wordt de auto met een pont een rivier over gezet.

Tegen 11 uur komen we dan eindelijk aan in Mananara. Het ruikt er overal naar kruidnagel, een weeïge geur die na een tijdje op rottend fruit gaat lijken. We betrekken hotel Chez Roger, van een malagasy eigenaar. Roger is tevens de eigenaar van Aye Aye eiland, wat we later nog willen bezoeken. Er is elektriciteit, koude drank en een douche in onze kamer, wat een luxe! 's Middags wandelen we naar Aye Aye hotel - pal tegenover het vliegveld, dat sinds juni dit jaar is gesloten wegens een te slechte conditie van de landingsbaan. In hotel Aye Aye zien we enkele bamboelemuren ravotten in een openstaande auto en 2 bruine lemuren stoeien met een hond. We raken aan de praat met Carine, de franse eigenaresse die hier woont met haar man en 2 kinderen. De lemuren zijn hier heen gebracht (verkocht) door lokalen die ze als jong uit het regenwoud hebben gehaald tot ze er genoeg van kregen. Hier slijten de dieren hun pensioen. Ze worden graag aangehaald en wanneer we met een glas bier naar het dier lopen begraaft hij zijn hoofd letterlijk in het glas en slurpt van het bier. Aye Aye zit vandaag vol, maar morgen is er weer plek, dus willen we morgenochtend verkassen.

Mananara

De volgende ochtend nemen we afscheid van Suluf, hij vindt een Taxi Brousse terug naar Maroantsetra. Oliver de kok blijft bij ons aangezien hij gids in opleiding is. Hij zal ons dus vergezellen tot aan Soanierana Ivongo vanwaar de boot naar Ste Marie nemen. Maar eerst hebben we nog 2 dagen in Mananara. We verkassen vandaag naar Hotel Aye Aye en Monsieur Roger - eigenaar van het gelijknamige hotel en Aye Aye island - lijkt zeer chagrijnig. Desondanks spreken we af dat we vanavond om half 5 naar zijn hotel komen voor een bezoek aan zijn eiland. In Aye Aye hotel hebben we de hele dag plezier met de ravottende lemuren, een knuffelgekke, schele bruine lemuur, een verlegen bruine lemuur en 2 brutale bamboelemuren die over de tafels rennen, eten pikken en door de bomen slingeren.

Pal voor het hotel ligt het vliegveld en er arriveert vandaag bij uitzondering een vliegtuigje met hooggeplaatst bezoek, een minister, en het Marc Ravalomanana circus zet zich weer in beweging. Het hele dorp verwelkomt de minister, zwaait met vlaggetjes en is gehuld in de bekende t-shirts, en daarna vertrekt een joelende, toeterende karavaan per fiets en motor voor een triomftocht door het dorp. Als deze man niet herkozen wordt...

's Middags wandelen we naar Chez Roger en zien ons vermoeden bevestigd: hij is zo ontstemd over het feit dat we zijn vertrokken uit zijn hotel dat hij weigert ons naar zijn eiland te brengen. En aangezien hij de eigenaar en baas is, is zijn wil wet. Heel zuur, want een van onze hoofdredenen van ons bezoek aan Mananara is de Aye Aye in het het wild te zien, maar meneer Roger zijn persoonlijke vete met Aye Aye hotel gooit roet in het eten. Het blijkt dat meneer Roger onterecht in de veronderstelling verkeert dat wij 4 dagen in zijn hotel zouden verblijven en op Aye Aye eiland wilden overnachten. Een bijkomend probleem voor ons is dat in deze streek de vanille en kruidnagel handel veel meer oplevert dan toerisme. Men is dus in z'n geheel niet geïnteresseerd in Vazaha's. Dat verklaart ook waarom het Michel, naar eigen zeggen, zo'n moeite kostte om vervoer voor ons te vinden naar Mahambo.

Inmiddels blijkt iedereen op de hoogte van meneer Roger zijn ongenoegen. We krijgen bezoek van mevrouw Marie Lousie (de eerste vrouwelijke gids die we in Madagascar ontmoeten) maar ook zij krijgt 0 op request. Normaal gesproken zou meneer Roger zijn eiland ergens in mogen duwen, maar ik besluit eieren voor mijn geld te kiezen en door het stof te gaan, want we willen perse de Aye Aye zien.

Dat wordt nog eens versterkt door de documentaire die we kijken in Aye Aye hotel; (op een reusachtig scherm via een beamer) recentelijk opgenomen met Miranda Richardson; Final Chance to Safe the Aye-Aye. Een prachtige film over Madagascar en haar problemen in het algemeen en de Aye Aye in het bijzonder. We zien de plekken voorbij flitsen die we vorige jaar bezochten en de amerikaanse onderzoeker die we persoonlijk hebben ontmoet. We zien de beelden van Aye Aye island en het obscure dier, dus verzoek ik Marie Lousie om een tete-a-tete met Roger, morgen om 5 uur. Dat zal na mijn tour naar Nosy Antafana zijn. Nosy Antafana (ook bekend als Nosy Atafana maar uitgesproken als Nosy Antafa) is een atol van 3 kleine koraal eilandjes in een beschermd marinepark. Het is nog niet toeristisch ontgonnen en dus moet er een beroep op ANGAP worden gedaan om onderzoekers of een verdwaalde toerist met hun boot naar het eiland te vervoeren. Wat ik van het eiland weet is te danken aan het feit dat we er vorige jaar over heen vlogen. Ik heb er toen foto's van geschoten die op mijn kantoor als wallpaper dienst deden en vaak zat ik er naar te staren, naar dit prachtige onbekende bounty eilandje, wat niet eens op de kaart staat, en beloofde mezelf dat ik er ooit voet zou zetten.

Nosy Antafana

Om kwart voor 5 moet ik op en word ik opgehaald door Patrick van ANGAP. Ik heb gezelschap van Carine's zoontje en een pas getrouwd Frans-Hindoestaans stelletje. De boot ligt klaar aan het strand pal voor het hotel en na een redelijk kalme rit en een regenbui later doemt Nosy Antafana op. We varen eromheen en meren aan op een spierwit strand. Er is een klein huisje voorzien van zonne-energie. Antafana wordt bewoond door 2 ANGAP mensen en een paar vissers, die 2 keer per week mogen komen vissen. Achter het huisje is een plek waar eten wordt bereid. Het krioelt er werkelijk van de ratten die door de pannen scharrelen; diezelfde pannen als waarin voor mij 2 vissekoppen worden bereid ter ontbijt, die ik vriendelijk doch resoluut afwijs. Carine's zoontje Anthony heeft er echter geen enkel probleem mee en verorbert de maaltijd, gezeten tussen de ratten, in een paar minuten.

Na het "ontbijt" lopen we het dikke regenwoud in met een vloerkleed van varens. Er vliegen talloze reusachtige vleermuizen rond die luid kabaal maken, en er volgt een genadeloze muggen aanval op mijn benen. Snel loop ik door richting het strand en stap snel in de lauwwarme zee om te ontsnappen aan de muggen. We lopen vervolgens het eiland rond, dat wel zeer exotisch is met regenwoud tot aan de zee. Het water heeft de kleur van een zwembad. Na onze tocht rond het eiland steken we per pirogue over naar één van de andere eilandjes in het atol. Het is ook per voet te bereiken want het water komt tot aan mijn middel, maar ik moet met de pirogue vanwege de foto-apparatuur die ik bij me heb. De kano is zo lek als een mandje en helt vervaarlijk over, maar we slagen erin met droge apparatuur een strandje aan de overkant te bereiken.

Dit eiland is meer rotsachtig en bevat mangrove bossen met zeer helder water. Tussen de rotsen zwemmen vissen in allerlei kleuren en na een gevaarlijke klim omhoog hebben we een fraai uitzicht over het atol. Met de pirogue varen we terug en er wordt opnieuw een visssenkoppen lunch bereid tussen de ratten die ik opnieuw oversla.

Hierna gaan we met de boot richting het derde eiland om te snorkelen. Dit atol zou het mooiste koraalrif van Madagascar hebben, en dat is ook de indruk die je krijgt vanuit de lucht gezien, maar tot mijn spijt is het allemaal morsdood. De eens trotse koraalriffen zijn een dode, kleurloze massa. Later leer ik dat dit deels komt door een cycloon en deels door klimaatsveranderingen. Erg zonde.

Na het snorkelen verlaten we het atol en na een uur met de speedboot zijn we terug bij het hotel. Hier bereikt ons goed nieuws; Mr. Roger is, na diverse bemiddelings pogingen, toch bereid ons naar zijn eilandje te brengen. En dus zitten we wat later in de laadbak van een pickup en hobbelen door Mananara waarna we een serene rivier oversteken met de pirogue.

Op Aye Aye eiland aangekomen, een eilandje midden in de rivier, begroeid met palm- en bananenbomen, wachten we tot het donker is en een gids met zaklap gaat op zoek naar de Aye Ayes. Hij roept dat ze gevonden zijn en vanaf dat moment rennen we als een stel bezetenen in het stikdonker door de dichte begroeiing, met vallen en opstaan, om een glimp van de snel bewegende beesten op te vangen. Soms zien we er eentje hoog in de boom naar ons gluren, en hoewel het niet veel is wat we zien, vangen we toch een glimp op van de obscure lemuur en ik slaag er zelfs in een wazige foto te schieten. Missie geslaagd!

Mr Roger rijdt ons hoogst persoonlijk terug en eenmaal terug bij het hotel schud ik hem de hand en bied hem mijn excuses aan voor de misverstanden, waarna alles weer in orde lijkt te zijn. Te beoordelen aan Roger's brede lach!

Mananara

Omdat we ons hadden vergist in ons schema blijken we nog een laatste dag in Mananara te hebben. Niet tot mijn ongenoegen, na de lange zware dag van gisteren. Het nieuws komt ons ter ore dat mr. President himself vandaag op bezoek komt en wel pal voor onze bungalow. Hij zal daar landen en vervolgens het volk toespreken in het oude stadion, 5 minuten hier vandaan.

Hij zou om half 9 komen, en om 8 uur staan de eerste mensen al bij het vliegveldje met hun petjes en vlaggetjes. Om 3 uur 's middags is hij er echter nog steeds niet. Intussen sjokken wij door Mananara, bekijken het marktje en kopen een stel raffia manden voor de ongelofelijke prijs van 35 cent per stuk. Terug bij het hotel is het inmiddels een drukte van belang bij het vliegveldje en er ontstaat beroering wanneer een helikopter arriveert, maar de president blijkt er echter niet in te zitten. Wie dan wel wordt ons niet duidelijk.

Maar dan eindelijk, om 4 uur, arriveert er een vliegtuig met daarop "Tiko" (het frisdrankmerk van de president), de menigte begint te joelen, de deur gaat open en daar is de president. Vlak na hem stapt popster Jerry Marcoss uit, die het campagnelied zingt en razend populair is in Madagascar en dan gaat de menigte pas echt los.

De president stapt in een pickup en de karavaan zet zich onder luid gejuich voort naar het stadion, alwaar hij, gehuld in kanga, overhemd en stropdas, jasje nonchalant over de schouder, het volk toespreekt en waar Jerry Marcoss zijn hit playbackt. Deze plaat werd sinds 8 uur vanochtend non-stop afgespeeld door de luidsprekers dus inmiddels kan iedereen de tekst feilloos meezingen.

Terwijl de president zijn volk toespreekt lopen wij terug naar het hotel en we zien Air Force One totaal onbemand, met de deuren open, op het vliegveldje staan. Dan komt de karavaan weer in beweging en wanneer de president ons op 2 meter afstand passeert zegt hij "Salut, Hello, Hi" tegen ons en wat zeggen wij? Salut! Wij zien de president van Madagascar en wat zeggen we tegen hem? Hoi. Dan stapt hij in, zwaait nog een keer en weg is hij. We beseffen dat we een unieke gebeurtenis hebben meegemaakt, als enige aanwezige blanken in Mananara.

Later die middag arriveert er een fonkelend rode Toyota Hi-Lux die ons morgen naar Mahambo brengt, 12 uur zuidwaarts langs de oostkust over een van de slechtse wegen van Madagascar. Hij wil graag om 4 uur vertrekken, oeps, dat wordt opnieuw een korte nachtrust.

Mananara - Mahambo

Het is nog donker als we vertrekken met de 4WD en de eerste 20 à 30 km, waar we een paar uur over doen, bestaat uit een ongekend slechte weg. Van de geplande in te halen slaap komt dan ook niets terecht. We rijden dwars door het Mananara-Nord reservaat, pal langs de oceaan en we zien Nosy Antafana liggen.

Het verschil met de weg van Maroantsetra naar Mananara is wel dat de half ingezakte, houten bruggetjes hier zeer recentelijk zijn vervangen door betonnen bruggen. Wel moeten we die dag maar liefst 8 keer met de pont oversteken. Bij de laatste oversteek worden er 4 zware voertuigen geladen en dat gaat maar net goed. Met de pont arriveren we in Soanierana-Ivongo vanwaar we morgen de boot naar Ile Sainte Marie nemen, en van hieruit moeten we nog zo'n honderd km afleggen naar Mahambo, waar ons hotel, La Pirogue is.

We zijn weer in de bewoonde wereld: De weg is geasfalteerd, er is elektriciteit en telefoon. Tegen 4 uur bereiken we La Pirogue, een prachtig resort aan zee. Het staat vol met prachtige antieke kunst uit Madagascar, en exotische (bedreigde) schilpadschilden, krokodillen en wat al niet meer. Wederom dus niet aan te raden voor de eco-bewuste reiziger!

Mahambo - Ile Sainte Marie

Na een potje jeux de boules met Oliver, een maaltijd van kreeft carpaccio en zebu en een goede nachtrust gaan we de volgende ochtend terug naar Soanierana-Ivongo. Vandaag zijn de verkiezingen en mensen staan rijen dik voor de stemlokalen. Zoals gezegd is de weg hier geasfalteerd en dat is voor veel chauffeurs, waarvan de meesten uren over gaten en kuilen hebben gehobbeld, het teken het gaspedaal diep in te drukken.

Ook onze chauffeur rijdt constant 80, remt niet voor overstekende kippen en eenden maar remt ook niet af in de dorpjes waar mensen haastig uit de weg stappen na aanhoudend getoeter. Het is levensgevaarlijk en het eerste bewijs zien we als een menigte zich heeft verzameld bij een taxi brousse en een 4wd die frontaal op elkaar zijn gebotst.

Maar een kwartiertje verderop is het echt mis; we zien een oudere vrouw morsdood op het asfalt liggen, in een plas bloed, bedekt met een kanga waar een arm in een vreemde houding onderuit steekt. Met omgekeerde maag bereiken we de beruchte haven waar de regen inmiddels met bakken uit de hemel komt.

In tegenstelling tot 2004 is er dit keer een fatsoenlijke boot, de Cap Ste Marie, die niet wordt overladen en ook nog eens waterdicht is. We nemen afscheid van Oliver en zodra het stopt met gieten stappen we in, en probleemloos bereiken we binnen het uur Ile Sainte Marie. Wat een verschil met de trip van 2 jaar geleden. De Rosina 2, onze boot van toen, bestaat niet meer. Wel is er nu de Rosina 4. Drie keer raden wat er met editie 2 en 3 is gebeurd.

In de haven worden we opgehaald door een busje die ons naar ons geboekte hotel Masoandro Lodge brengt, een behoorlijk afgelegen maar fraai hotel in een baai. Het regent nog steeds en we hopen maar dat we niet weer 4 dagen regen hebben, net als 2 jaar geleden.

Ile Sainte Marie

Gelukkig is het de volgende dag mooi weer. Omdat Masoandro zo geïsoleerd ligt is er niets in de buurt, je bent dus verplicht hier te eten en dus zijn de prijzen daar ook naar: 18.000 ar voor een bord spaghetti (7 euro) waar we elders 90 cent betaalden. De geisoleerde ligging bevalt ons niet en dus besluiten we te verkassen naar het hotel waar we 2,5 jaar geleden waren, Lakana. Maar eerst huren we mountainbikes en fietsen naar het dorp, een taaie 15 km heuvel op en heuvel af, en vervolgens nog een 5 km naar Lakana waar we onze bungalow reserveren en lunchen. Dan weer de 20 km terug naar Masoandro. Onderweg bestellen we vast een taxi voor de volgende ochtend en eenmaal terug genieten we van een cocktail en een zebu steak.

Ile Sainte Marie

Wanneer we onze rugzakken hebben ingepakt wachten we op onze taxi. Die arriveert 20 minuten te laat en lijkt onderweg onderdelen te verliezen, maar we bereiken Lakana. We betrekken onze bungalow en doen de rest van de dag niets.

In de middag wandelen we naar het dichtstbijzijnde internet café, maar dat blijkt nog een flink eind lopen. Gelukkig kunnen we, eenmaal daar, fietsen huren voor 24 uur, en dus fietsen we terug naar Lakana.

Ile Aux Nattes

De volgende dag fietsen we tegen 11 uur naar het zuidelijkste punt van het eiland, net voorbij het vliegveld, en steken met de pirogue over naar Ile Aux Nattes. Hier waren we 2,5 jaar geleden ook (met gids Bienvenue die ik op het strand voor onze bungalow zie lopen. Hij weet niet waar hij het moet zoeken als ik zijn naam weet) maar dit keer gaan we zonder gids.

Het verschil met vorige keer is dat het nu stralend mooi weer is en dus is de zee veel blauwer en het stand veel witter. Ook is er een nieuw hotel genaamd Baboo Village waar we lunchen en daarna zonnen we op het meest perfecte bounty-strand dat je je kunt voor stellen. Ik besluit terug te zwemmen naar ste Marie en onze laatste middag van deze reis besluiten we met de fantastische zonsondergang die deze dag ons biedt.

Heb je interesse in een reis naar Madagaskar? We helpen je graag om deze reis naar jouw wens samen te stellen. Reisbureau Reisgraag.nl scoort een 9+ in reviews, we zijn lid van ANVR, SGR & Calamiteitenfonds en we hebben al meer dan 12,5 jaar ervaring. Vul hieronder jouw wensen in voor jouw vakantie naar Madagaskar, dan sturen we je gratis een voorstel op maat.

Vertel ons uw vakantie wensen. Onze reisexperts geven u gratis en vrijblijvend reisadvies op maat.

Zonder budget geen passend advies.
Uw gegevens

* = verplicht. Privacy beleid is van toepassing

Vakantieverhalen / reisverslagen

Gerelateerde artikelen