Cultuurreis door SiciliŽ

Bestemming: A. SiciliŽ (ItaliŽ)
Periode: mei 2016
Vervoer: Vliegtuig
Accommodatie: Diverse
Organisatie: SRC-Cultuurvakanties

‘…comes all from the Greek’

Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen, lees ik de dag voor ons vertrek op een muur. Mijn koffer zit er vol mee, Sicilië sprak immer tot de verbeelding.
Kwam dat door het Bosatlas-kindbeeld van me? Het beeld van de laars die de bal schopt, de bal slaat lek, haalt de kust van Afrika niet en dondert in zee. Of later, door films over hees gestemde mannen met brillantine in hun haar en fout geld? Is het de oerkracht van vulkanen die voor een laaglandmeisje mythische vormen aanneemt? Misschien.
Binnenkort kom ik erachter, ik zit in het vliegtuig naar Palermo.

De route
De route


We zitten met z’n zeventienen, plus gids en chauffeur, in een koele, comfortabele bus. De eerste indruk kan ermee door. Dit geldt voor binnen, niet voor buiten. Langs de weg ligt het vuilnis van maanden opgestapeld en wagens met ‘Toen papa klein was gooide hij plastic zomaar in de container’ -maar dan in het Italiaans- zijn in geen velden of wegen te zien. Rond ons hotel ruikt het naar jasmijn die geen jasmijn is en als we de volgende ochtend afreizen naar Erice, geuren de bloemen nog sterker. Een strakblauwe lucht, zon, een windje, ideale condities om eeuwenoude castello’s, chiesa’s en muren te verkennen met Ina ‘op het oor’. De stad is mooi. Ligt ook mooi, zo op de top van de monte San Giuliano; een aardig begin van onze cultuurtrip. Een begin dat voor één van ons meteen het einde had kunnen betekenen, ware het niet dat ik de slippartij van de onfortuinlijke dame met mijn been en heup kon stoppen. Met dank aan de genen van mijn vader.
Gedempt door een wolkje hoor ik zijn applaus…

Erice kent een cultus rond de vruchtbaarheidsgodin Venus Erycina; de plattegrond in de vorm van een driehoek is dan ook geen toeval. In de prachtig geplaveide straten veel souvenirs, gebak en aardewerk. Deeltjes-genie Ettore Majorana is zoek en wordt ook door ons niet teruggevonden, waarop we vertrekken naar de zoutpannen van Trapani.
De zee kust de kust met een mond vol zout en als je lang genoeg wacht kun je dat zout oogsten. In Scheveningen ben je kansloos, in Trapani komen ze al eeuwen een heel eind. Vóór onze kennismaking met de ‘salinablues’ en het pompvernuft van Ir. Archimedes, gekend uitvinder en naaktloper, vallen we aan aan een Siciliaanse lunch waarvan er, tot ieders genoegen, nog vele zullen volgen. De Siciliaanse keuken is fantastisch, de lunchadressen van Ina zijn dat ook; onnodig dagelijks verslag te doen van de bevindingen van de inwendige mens, de kok zal de komende weken slechts zelden écht teleurstellen.
Interessant om te zien hoe men in deze contreien het zout in de pap verdiende c.q. verdient, triestig om te horen dat niet alle methodes qua menselijke maat door de beugel konden; desondanks zorgen de 6-wiekige Don Q-molens voor een liefelijk plaatje.

De komende 2 nachten zoeken de Nederlanders hun heil in Marsala. Kolonisten uit Mozia gingen hen voor, alsook Grieken, Carthagers, Romeinen, Normandiërs en Arabieren. Een verhaal dat continu terugkomt, het verhaal van vreemde overheersing op Sicilië. Tot op de dag van vandaag weet men Sicilië te vinden. Iedere ochtend begint Ina ‘het nieuws van de dag’ met de melding van wéér honderden bootvluchtelingen. Je ziet ze niet of nauwelijks, ze worden opgevangen en meteen over het eiland verspreid. Veel volkeren konden hier, al dan niet in vrede, hun sporen nalaten onder het motto: ‘Behoud het goede’.

Voor de kust ligt het eiland San Pantaleo. Het is dag 3 als we naar Mozia varen, een stad nauw verbonden met de familie Whitaker, Engelse kooplieden die het eiland kochten aan het begin van de 20e eeuw. We maken een prachtige ochtendwandeling door de natuur. Voor de Marsalawijn is het een tikkeltje vroeg, voor het bewonderen van jeugdig Grieks marmer uit de 5e eeuw v. Chr. staat geen tijd: de ‘Jongeman uit Mozia’ toont zich in al zijn schoonheid, maar zal later op de dag overtroffen worden door de dansende Satyr van Mazaro del Vallo: ‘Ach, had mijn man één zo’n bil…’
De kasbah is op zijn retour; dichtgespijkerde ramen, dichte deuren, van het rijke Arabische leven is niets meer over. Wat ons rest, zijn verhalen. De vele verhalen die Ina ons dag in dag uit cadeau doet in de bus. Zout, patroonheiligen, recepten, Odysseus, mispels, Herakles of een negentiende eeuwse soap, het komt allemaal aan bod, verbaal of op fotokopie.
Terug in Marsala koop ik in de supermarkt wortels en radijzen; als ik mijn kinderen moet geloven, ben ik een gereïncarneerd konijn. Behalve een would be konijn, hebben we ook een pianojuf en een dirigent aan boord. Na het avondeten blijft een deel van ons hangen in de hal van het hotel waar een piano staat. En jawel, ze gaan los, die twee, waarop één van de andere reisgenoten meteen verdwijnt in de lift. Jammer, ik had die gast anders ingeschat. Zo zie je maar.
Kunstzinnige plantenbak
Kunstzinnige plantenbak


Zo zie je maar, ja. ‘Gast’ komt terug met een glas en zijn kazoo en geeft het optreden het effect mee van een sax! Het is kicken, zelfs ík mag zingen. Het ‘potje met vet’ ligt op de loer.
De volgende ochtend al, grijpt Ina streng in met ‘de Siciliaanse Vespers’. Vanuit cultureel perspectief lijkt ons gezelschap vooralsnog gered. Het is een dag waarop we onontkoombaar veel kilometers moeten afleggen. Welkome haltes zijn Agrigento met jongemannen-moois in marmer en de Vallei der Tempels, waar we onder knoeperts van olijfbomen worden onderwezen in het principe van de gulden snede. Speciale verhoudingen, daar draait het allemaal om. Maar wanneer eigenlijk niet!? Gekheid.
Schoonheid: hoe een kleine Griekse kolonie kon uitgroeien tot één van de rijkste steden in deze contreien. Dat is onze Heeren Zeventien nooit gelukt. Op de foute benaming na, de ‘vallei’ ligt op een heuvelrug, niets dan goeds over deze site, het is om stil van te worden. En warm. Het is heet. De hotelkolos in Ragusa heeft een zwembad, een baantje of wat brengt verkoeling en helpt om alle indrukken te verwerken.
 Vallei der Tempels
Vallei der Tempels


Op de vijfde dag, zo is ons in vertrouwen verteld, worden we in Ragusa onderdeel van een experiment. Dit betekent onrust. Niet in het minst omdat eerst de barokke Dom op het programma staat. San Giorgio, beroemd om hoe hij de draak met de giftige adem aan de leiband nam en De Maagd redde, is de beschermheilige. Van hem moeten we het vandaag hebben.
Zoveel barok, ik hou er niet van. Een vergelijking met de Belgische kust dringt zich op: mooi in al haar lelijkheid. Langs de Belgische kust rijdt een treintje. En in Ragusa rijdt óók een treintje. Vice versa Ragusa-laag, Ragusa-hoog. Maar de kust is vlak terrein en Ragusa is één en al rots; bij het instappen prevel ik: ‘Ave, Giorgio, morituri te salutant.’
Zoals u kunt lezen is het meegevallen en toch staat het experiment te boek als ‘niet geslaagd’. We hebben het er niet meer over. Wél over de lunch en de puurste pure chocolade in Modica die ab-so-luut pas smelt in je mond: goddelijk. Via amandel- en gedroogde tomaatjesproeverijen in Noto bereiken we tegen de avond Syracuse, het New York van de Oudheid, groot geworden door tirannen. Het hart van de stad is het eiland Ortigia dat veel historische stukken herbergt waaronder Montalbano, il commisario die immer bezwijkt voor de meest doortrapte verleidster van Sicilië, La cucina Italiana. Ik begrijp die zwakheid, ik eet in zijn lievelingsrestaurant ‘O’Scinà’, daar waar ook de opnames voor de serie zijn gemaakt. En behalve het eten wil ik ook de blouse van de dame die bedient. Dat laatste lukt niet.
Toch goed geslapen.

Een ‘vrije’ dag invullen betekent lastige keuzes. Ik ga bij voorkeur pierewaaien, huis- en reisgenoot W is de man van de concrete doelen. Over één doel zijn W en ik het snel eens: een bezoek aan het Archimedesmuseum; Archi is geboren en getogen in Syracuse. Langs de porto piccolo lopen we ’s ochtends de oude stad in. Hé, kano’s. Nee, kanománnen. Je hebt zeemeerminnen en kanomannen. De laatste, exotische variant zwiept door en over het water alsof ze met een kano aan de kont geboren is. Langs de railing van de brug hangen netten. Met hun peddels pikken de kanomannen de bal uit het water, stuiteren speels en scoren! Wist Archimedes hiervan?
Even checken, the Arkimedeion of Syracuse belooft ons immers interactieve opstellingen en meer. Maar dat gaat niet lukken. Het prachtige Pallazo Pupillo met zijn fraaie gevel en veelbelovende teksten op de ruiten is dicht, fermé, chiuso, cerrado. Met de neus tegen de ruit zie ik slechts lege kamers en vloeren vol afval. Ik zweer dat ik een poster heb gezien met reclame voor het Archimedesmuseum, inclusief een expositie met de uitvindingen van Leonardo da Vinci. Ik dacht nog, quel combi! Terug naar het plein met de reclamezuil en nog eens goed lezen. Ah! Mijn fout, er is nu een Da Vinci-museum met een expositie over Archimedes. We vinden het straatje en het gebouw met de gevel getooid in vlaggen van de Europese Unie en kopen 2 kaartjes. Eenmaal binnen zien wij ten derden male de unieke werken van Da Vinci, The Genius (1x eerder in Vinci/Italië, 1x in het oude hoofdpostkantoor van Rotterdam en nú). De expositie van Archimedes blijkt gepland voor juli 2015.
Aan de orde is: pierewaaien. De rest van de dag volgen we de kustlijn van Ortigia en belanden op een bankje met uitzicht op een beeld van Alpheüs en Arethusa. Hoog in de enorme ficusboom twitteren de vogels ons het verhaal over de onfortuinlijke jachtnimf die in het kielzog van Artemis geniet van de vrijheid in bos en woud en niks van mannen weten wil. Bezweet van de jacht, badend in de kristalheldere rivier wordt ze overvallen door Alpheüs, die beweert de riviergod te zijn en zijn vermeende rechten laat gelden. De twittertoon gaat crescendo als Alpheüs Arethusa opjaagt en Artemis ingrijpt door de nimf te veranderen in een bron die vanuit Griekenland, onder de zee door, in Ortigia belandt. Plots twittert het gevogelte wat toontjes lager. De god Alpheüs verandert zichzelf weer in een rivier, waarop zijn water zich brutaal mengt met Arethusa’s bron…
Tragedie; verscheur een geit!

We vervolgen onze tocht langs de kustlijn, de heersende kleur is blauw, afgewisseld met het wit van wijn en het roze van zalm. Om het ontbrekende zandstrand te vervangen zijn hier en daar op de rotskust stellingen gebouwd, wat doet denken aan legoland met bewegende poppetjes in badkleding. Focus wordt de torenspits van de ‘Madonna delle lacrime’. Het wonder van de tranen. Eigenlijk is de hele kerk ‘toren’, een bouwwerk, dat als een reuze pyloon willekeurig lijkt te zijn neergezet. Binnen zorgt de koelte en het serene lichtspel ervoor dat ik hier niet meer weg wil, maar de karavaan trekt voort op weg naar een ander lichtspel, de Etna. Nog twee nachtjes slapen.
Hadden we in Syracuse Sa Lucia als patroonheilige van de blinden, in Catania wacht ons een minstens zo getormenteerde Sa Agatha met haar borsten op een schaal. Behalve in de katholieke kerk, worden deze heiligen ook geëerd in de banketbakkerij. De doorsnee Siciliaan is berucht om zijn zoete tand en laat geen enkele kans onbenut om iets zoets aan iets heiligs te koppelen. Lucia is van de krakelingen (liefdesknoop) en Agatha is, dat spreekt voor zich, van de kleine, ronde gebakjes met kers. Wie minstens zoveel heeft geleden als genoemde dames maar nooit heilig werd verklaard, is de mythische componist Vincenzo Bellini, door Heinrich Heine omschreven als ‘een zucht in balletschoentjes’. Ongeneeslijk romantisch en jong -33!- onder verdachte omstandigheden gestorven, op Père Lachaise begraven en pas later bijgezet in de Dom van Catania. Met uitzicht op de gevel van het Teatro Bellini drinken we koffie met een broodje ijs. Een bol ijs op een zoete brioche, zelfs als ontbijt verkrijgbaar.
Broodje ijs
Broodje ijs


Door de Corri-Catania, een sponsorloop, is de stad overvol. Vol met bezwete wit-rode T-shirts, zelfs de honden moeten er een aan. Via de Via Maria Callas banen we ons een weg door de krioelende menigte en lopen terug langs de obelisk met het olifantje. Het verbeeldt de lokale geschiedenis. Volgens een legende vloog de Egyptische tovenaar Heliodorus met een olifant tussen Catania en Constantinopel heen en weer. De Arabieren noemden Catania de stad van de vliegende olifant. Toon Tellegen is dus niet de eerste die de olifant bijzondere eigenschappen toedicht. Het beest zou de kracht bezitten om de Etna in bedwang te houden. Toen die hoop ijdel bleek, werd geswitcht naar Sa Agatha. De olifant van Toon T. blijft echter onverminderd een bijzonder wezen.
Kunstbeeld
Kunstbeeld


We lunchen op een prachtige locatie hoog aan de wind met de lekkerste caponata ooit, om vervolgens af te reizen naar het Valkenburg van Sicilië, Taormina. Prachtig gelegen op een kaap aan de Ionische Zee. Ziens waardig is het Griekse theater, al was het alleen al om het uitzicht op zee en op de Etna.
Nooit zag ik in één straat meer variaties aan driebenigen dan hier.
Bier. Ik zoek bier. Caponata maakt dorstig. Na een grondige lessing óp naar Letojanni.

Heel vroeg hebben we een afspraak op het muurtje aan de zee, vandaag doen we de Etna. Ik ben écht veel te vroeg, reisgenote T ook en we besluiten samen even de zee in te lopen tot we, twee zielen- één gedachte, geschrokken het water weer uitrennen: ‘Alpheüs!’ Oké, we zijn dan wel geen nimf, maar we kunnen er nog mee door; beter het muurtje weer opgezocht.
Ik hop de bus in met mijn vaste: ‘Dag vriend!’ tegen Guiseppe, pak een zuurtje uit zijn mand en hoor tot mijn verrassing vandaag geen ‘buon giorno’ maar ook: ‘Dag vriend!’ Kijk.
Ons’Guiseppe is geweldig, de kleine man is een reus op de millimeter. De ogen op scherp loodst hij zijn bus onverstoorbaar en zonder schrammetje door menig dolgedraaide doolhof, nota bene zonder GPS of fatsoenlijke bewegwijzering! Het geklooi met, beter zónder, verkeersborden, doet me af en toe aan België denken. Ons’ Guiseppe mort nooit. Tenminste, niet hoorbaar. Het enige dat we af en toe van hem horen is de korte, vinnige claxon die acuut respect afdwingt. In het volste vertrouwen beklim ik dus met hem de flanken van de Etna. Tot ongeveer 1500 meter, want op dat punt neemt een kabelbaan ons over. Als een slak kruipt de gondel met inhoud naar boven. Ik wist het al, maar nu hóór ik ook, ik heb een hart… Op 2500 meter stappen we over in, laat ik het gewoon ‘voertuigen’ noemen. In grote jeeps, hoog op de ‘poten’ met gigantische banden, rijden we hobbelend de gemarkeerde asroute naar de top. Op 3000 meter doe ik rits voor rits dicht en sla mijn das om. IJzige wind. Door de grijzige sneeuw ploetert een kleurrijke queue achter de berggids aan naar boven, op weg naar de krater waar in februari de laatste uitbarsting was. Sa Agatha waakt over ons. Dansen op de vulkaan, het is een sensatie die me nog lang zal heugen. In de ijle lucht loop ik rondom de krater en betast de warme aarde. Ik kijk om me heen en snap nu waarom deze plek de ’Torre del filosofo’ wordt genoemd… Het weer is helder, op de achtergrond een krater die nog puft. Het panorama beneemt me de adem, letterlijk, ook. Maar de groep moet terug en zet de afdaling in zonder de bronzen sandaal van Empedocles. Met een air van onsterfelijkheid naderen mountainbikers met filmcamera’s op hun helm en ruim voorzien van testosteron, de top. Ik hou het vooralsnog bij adrenaline, een jeep, een kabelbaan en een bus.
De etna
De etna


Ooit geluncht op een vulkaan?
Halverwege de afdaling stopt de bus bij een inham. Daar staat een bestelwagen. We moeten wachten. Alleen Ina stapt uit en gaat met een vrouw het bos in. Even later komt ze terug en neemt ons mee naar een open plek waar de picknicktafels zijn gedekt, met enorme flessen wijn erop en warmhoud bakken met pizza-achtige broden. En verse honingkoekjes. Feest! Iedereen is uitgelaten, een schot in de roos. Hulde aan onze gids. We worden steeds stoffiger en vrolijker; kilo’s verse aardbeien om in de dessertwijn -pak ‘m bij zijn lurven- te dopen, zijn de kers op de taart.
Onnodig te melden dat het zootje ongeregeld in de bus in slaap valt…
…Om wakker te worden in lief Letojanni-met-zijn-hotel-aan-zee.

Vroeg opgestaan voor de minicruise langs de Eolische eilanden; goed wakker ook, dat moet, want grote waakzaamheid is geboden. Ligt Skylla op de loer? Dikke kans. De lelijke Skylla, ooit een wonderschone nimf, maar door een jaloerse concurrente in de liefde, veranderd in een monster. Zie je zes hondenkoppen op een rij, gooi dan acuut het roer om! Al eerder brak voor de kust een schip in tweeën, verging met man en muis, alleen het gebeente van San Bartolo spoelde aan. En ja, je raadt het, het wordt een mantra intussen, sindsdien is San Bartolo gekend patroonheilige van de Eolische eilanden.
Aan doemdenken doe ik niet. Vermetel stap ik aan boord van ‘The Princess’ en vaar naar Lipari. Dit eiland blijkt bevolkt door cowboys, zij het cowboys zonder paard, maar mét een Mercedesbusje. Hoppa, instappen, goed aanduwen, het pad is van mij, karren Jozef. Op tijd stoppen voor een perfect view en wat zuurstof en aan het eind maken we de meisjes blij met een portie fijngehakte vulkaan, verpakt in een krant van 10. ottobre 2005. Zo bleek bij thuiskomst. Ik had niet alleen de steen, maar ook twee cactuskinderen in een stuk cowboykrant verpakt. Stel dat die plantjes het gaan dóen! Ze hebben intussen een ereplaatsje op de vensterbank in de zon, als die er is, en staan met hun babyvoetjes in een hemelsblauw potje met verse cactusaarde, een foto van hun moeder ernaast. Wordt vervolgd.
Van Lipari varen we naar Vulcano, de uitstekend geoutilleerde werkplaats van Hephaestus, beschermheer van de smeden. Ook Vulcano ligt te puffen in de brandende zon. Met steun van de goden doet de kapitein een extra rondje rond de rotsen. Een rondje dat appelleert aan mijn toch niet geringe fantasie, maar ik zie geen paarden of leeuwen. Eén voet aan land en de geur van zwavel komt me tegemoet. Tussen de rotsen pruttelen de baden, maar ik ben al in bad geweest en besluit in de schaduw te gaan lunchen op een alleraardigste binnenplaats, met veel groenten, fijne mensen en gelach, brood en witte wijn. Pas vlak voor een dreigend vertrek naar Millazo, meld ik me bij de railing.
Opnieuw is de heersende kleur blauw.
Vandaag op weg naar de regio Palermo, de routekleur is groen; een echte kilometervreterdag door prachtig natuurgebieden. Via stops in Castelbueno en Cefalú, geijkte Siciliaanse stadjes, bereiken we Torre Artale in Trabia. Vroeger een 18e eeuws herenhuis (dat moeten flinke Heren zijn geweest), nu een hotel maar nog steeds uitkijkend over de verre Tyrrheense zee.
Tikkeltje gaar, maar gelukkig. Bij een lekker zeewindje wandelen we over het immense terrein met muurtjes, bankjes, hofjes, mispels (!) en hagedissen die weigeren om zich te laten fotograferen. Tot slot de lekkerste risotto van de hele reis.
Wat verwacht je als je eindelijk Palermo gaat zien? Voor mij een plek met een bloedrood randje. Op het oog gewoon een drukke, doorsnee-Italiaanse stad. We treffen een Nederlands sprekende stadsgids, Anne.
Anne maakt ons wegwijs in de botanische tuin van de universiteit. Op thema en continent loodst ze ons, met anekdotes, door de gigantische, groene oase. Van zoveel enthousiasme zou een mens spontaan groene vingers krijgen. Lastig te zeggen wat ik het mooiste vind, maar de drakenbloedboom en de ficusbomen, zó groot dat je erin kunt rondlopen, scoren hoog. Ik merk dat de grens van wat ik opneem, bijna is bereikt. Eerst wat innemen, dus, koffie. We drentelen door de stad. Grote contrasten, armoe, prachtige fonteinen, mozaïek in bladgoud, paarden met hoeden, heel veel engeltjes. Ik ben dol op engeltjes. Het oratorio San Lorenzo in oud-Palermo puilt uit van de ondeugende engeltjes. Die variant heeft mijn voorkeur. We doorkruisen de wijk waar de vermoorde onderzoeksrechters Falcone en Borsellino opgroeiden en komen uit bij wat ik noem ‘het oog van Palermo’; het schérpe oog van ene Giuseppe. Het moet zo zijn… In de Dom vinden we ‘la meridiana’, een mozaïek van gekleurd marmer met de sterrenbeelden. Door een geniaal gaatje in een koepel valt het zonlicht op de strip van astronoom Giuseppe Piazzi (1801) en geeft zo de tijd aan. In Stier loopt het tegen enen. Zero bytes left; lunchtijd.
Sa Rosalia, de patroonheilige van Palermo, wacht hoog in haar rots op mijn bedankje voor een mooie reis. De Monte Pellegrino is een tweede Lourdes. Het al dan niet katholieke mensdom blijft zijn wonderen koesteren. Ook ik zal Sa Rosalia niet teleurstellen; immers, de reis verliep tot nu toe voor de meesten van ons zonder de pest.
Het zit erop. Wat me rest is een gedeelde liter witte weemoed, de groepsfoto, Ina en Giuseppe in de bloemetjes zetten, koffers pakken, dutje doen en…
‘Grazie mille!’ zegt Ina ’s morgens op weg naar het vliegveld en:

- Einde van een reis -

Onze reis was ten einde. En niet zonder ontroerend, in ons hart, achter te laten de grote weemoed, die er, zo vreemd, zinkt in ons menselijk gemoed, bij élk einde: dat van een feest, dat van een taak, dat van een liefde, dat van een leven, dat van álles wat wij in deze wereld korte of lange tijd hebben doorleefd, niet het allerminste bij het einde van een reis, van een lange, mooie reis als deze.
De juiste woorden van Couperus, op de juiste toon van Ina.

We nemen afscheid in de hal; als enige kreeg Ina van SRC een andere vlucht, via Milaan. Wij vliegen via Rome.
Ken je die mop van dat vliegtuig dat naar Rome vloog?

Ruim een dag later dan gepland landen we op Schiphol. Misschien schrijf ik er ooit nog eens over. Onze terugreis verloopt zó banaal, dat ze een forse schaduw over al die mooie dagen dreigt te werpen en om die schaduw te verjagen, trek ik snel een zonnig plaatje uit de kast.
En ja, het woord ‘chaos’ stamt uit het Grieks.

Geschreven door Marjan Lammens

Vakantieverhalen / reisverslagen